Het Suzuki-museum

De vredige Koninginnedag van 2009. Mooi weer. ’s Middags hadden we een wandelingetje over de vrijmarkt gemaakt, de curieuze verzamelingen van afgedankte spullen bekeken, een paar schrijfmachines, een walkman, verroest gereedschap, een elektrisch treintje, de inventaris van de collectieve rommelzolder. Nederlanders blijven een handeldrijvend volk, ook op feestdagen. En muzikaal. Een meisje van een jaar of twaalf speelde virtuoos op een viool het Ave Maria. Ik liet een honorarium van een euro in een oude hoed vallen. Een eindje verder was iemand voor de verkoop flensjes aan het bakken. We kwamen bij de gracht. Bootjes vol in oranje gestoken feestvierders die een daverend lawaai maakten. Het werd tijd om weer eens naar huis te gaan.

De televisie aangezet. Op zulke dagen wil je weten hoe ze het in andere steden aanpakken. Apeldoorn. Daar zag ik een zwart autootje in razende vaart op de Naald afrijden, hier en daar mensen meesleuren en tegen het monument tot stilstand komen. Paniek, radeloosheid, de eerste agenten die weer deden wat ze moeten doen: ingrijpen, de orde herstellen. De dodenrit van Karst T. in zijn Suzuki Swift. Ik had een van de eerste herhalingen gezien. Van tijd tot tijd denk ik aan die tegenstelling: tussen de vrolijkheid van de vrijmarkt, het naïeve optimisme van mensen die alle ruimte hadden om op hun manier feest te vieren, niet beseffend welke gruwelijkheid een psychopaat met voorbedachten rade had aangericht om alles zo grondig mogelijk te bederven.

Vorige week ging het gerucht dat deze Suzuki, die nu in het depot van het Politiemuseum staat, zou worden tentoongesteld in Coda, het museum over de geschiedenis van Apeldoorn. De nabestaanden van de acht slachtoffers protesteerden. Toen bleek er sprake te zijn van een misverstand. Het wrak wordt niet vernietigd, maar het kan nog jaren duren voor het te bezichtigen valt, met de knuffels en briefjes die toen bij de Naald zijn neergelegd en die ook worden bewaard.

Het afgelopen voorjaar was in Parijs, in het Musée d’Orsay, een tentoonstelling ‘Misdaad en straf’. Behalve een collectie schilderijen, prenten en documenten was daar ook een echte guillotine te zien, een exemplaar dat in 1872 in gebruik is genomen. De toeloop was overweldigend: 4.000 bezoekers per dag in plaats van de gebruikelijke 2.000. In laatste aanleg is dit succes vooral te danken aan Robert Badinter, jurist, voormalig minister van Justitie en nu lid van de raad van bestuur van het museum. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld bij de afschaffing van de doodstraf in 1981. Nu wilde hij per se dat deze valbijl in de tentoonstelling zou worden opgenomen, want anders zou hij verdere medewerking weigeren. Een kwart eeuw had dit meer dan vier meter hoge gevaarte op een rijkszolder staan verstoffen. Maar nu toch nog voor de betrekkelijke eeuwigheid gered. Bij Badinter heeft dus het leerzame aspect de doorslag gegeven.

Je kunt er verzekerd van zijn dat een tentoonstelling met de Suzuki ook op een behoorlijke belangstelling zou kunnen rekenen. Maar de nabestaanden hebben voorlopig gelijk. De herinneringen zijn veel te vers. Maar de conservators hebben ook gelijk. De Suzuki, met de persoonlijkheid van de eigenaar, de knuffels enzovoorts, het televisiejournaal en de beheerste, ontroerende toespraak van de koningin vormen ook een tijdsbeeld. Alles wat daartoe hoort, moet zorgvuldig bewaard blijven, voor een complete tentoonstelling over misschien tien of twintig jaar als het nageslacht in een andere historische periode is aangeland.

Karst T. is een extreme, maar typische vertegenwoordiger van deze tijd. Naar alle waarschijnlijkheid werd hij door een politiek motief gedreven. Een eenzame man, door de crisis aan lager wal geraakt, kon zijn huur niet meer betalen, dreigde dakloos te worden. Alles buiten zijn schuld. Een zielepoot. Overweldigd door zelfmedelijden besloot Karst T. wraak te nemen op ‘de maatschappij’ die hem dit alles had aangedaan, door het opperste symbool te vermoorden: de koninklijke familie. Daarmee zou hij in één klap ook historisch beroemd worden. Roem door wraak. Niet weerloos, maar oppermachtig. Eigentijdser kan het niet. In dit opzicht doet hij denken aan Timothy McVeigh, ook een peilloos verongelijkte man die in 1995 het regeringsgebouw in Oklahoma City opblies en daarmee 168 slachtoffers maakte. Iedere Amerikaan weet nog wie McVeigh is. Een zielige massamoordenaar.

De tentoonstelling in Apeldoorn, omstreeks 2030, zou vooral moeten leren dat zelfgekoesterde zieligheid een van de grootste gevaren van deze tijd is.