Het keukentafelsyndroom

Informele omgangsvormen maken de keukentafel groot. Het is anno 2010 dé plek om te schrijven, vergaderen, brainstormen en borrelen. ‘De keukentafel staat voor werken zonder baas, praten zonder toezicht. Voor vrijheid dus.’ Sociale geschiedenis van een meubelstuk.

Eerst even een kijkje in de keuken van deze krant: dit artikel is ontstaan naar aanleiding van een mailtje van de eindredactie aan alle redacteuren. Zulke mailtjes verschijnen met vreeswekkende onregelmatigheid in onze inbox. Vaak bevatten ze een heroïsche opsomming van op het nippertje door de eindredactie uit de krant gehouden bouwstijgers, lelijke eentjes, kruiddampen, pakketvloeren en huishoudelijk geweld, waarin sommigen van ons ‘door de wolf geverfd’ zijn. ‘De strijdt gaat door’, was het onderwerp van zo’n mailtje – en dan kan de gemiddelde redacteur slechts bidden dat zijn of haar artikel er niet in genoemd wordt.

Daarnaast stuurt de eindredactie ook regelmatig mailtjes rond met belangrijke instructies, bijvoorbeeld voor correct hoofdlettergebruik rond de feestdagen. En dan zijn er nog de aanbevelingen (‘vriendelijk doch dringend’, uiteraard) om af te zien van allerlei clichés. Zo’n mailtje kregen we laatst weer. De tekst luidde: „Om onverklaarbare redenen rukt de keukentafel op in onze kolommen. Willen jullie die krachtig onderdrukken zodra je er één voelt opkomen?” Gevolgd door voorbeelden van mensen die zich in één week door ons aan hun keukentafel hadden laten interviewen.

Op verschillende plaatsen op de redactie doken blozende hoofden weg achter computerschermen, zoals dat altijd gebeurt na een eindredactionele vermaning. Maar deze keer schoten méér hoofden met blosjes omhoog. Eén redacteur begon een lang, ontroerend verhaal over zijn eigen keukentafel, die hij speciaal op maat had laten maken; een lang gekoesterde wens. „Ik wil ook zo graag een keukentafel”, verzuchtte een ander jaloers, „maar mijn keuken is niet groot genoeg.” Weer andere redacteuren gaven toe het liefst te schrijven aan hun keukentafel en enkelen droomden plotseling onbereikbaar ver weg bij de gedachte aan wat hun favoriete meubelstuk bleek te zijn.

Er is, kortom, iets aan de hand met de keuken-tafel. En ja, de keukentafel rukt inderdaad op in de krantenkolommen. In vergelijking met twintig jaar geleden bevat een jaargang NRC Handelsblad nu ruim vijf keer zo veel artikelen waarin het woord ‘keukentafel’ voorkomt: 14 in 1990, 72 in 2009. Onze nrc.next volgt, zoals het nrc.next betaamt, zijn eigen trends (33 in 2006, 23 in 2009), maar in het Engels taalgebied – The Guardian, The New York Times – rukt ook de kitchen table op.

Maar wat is er dan precies aan de hand? Zijn onze keukens gegroeid, zodat er vaker een tafel in past? Hoe gaat zo’n ontwikkeling?

Daarvoor moeten we om te beginnen bij Marja Berendsen zijn. Zij is momenteel beleidsmedewerker Geesteswetenschappen bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), maar deed daarvoor onderzoek naar de geschiedenis van de huishoudtechnologie in de twintigste eeuw. Specifiek onderzocht zij het ontstaan van wat wel ‘de efficiënte moderne keuken’ wordt genoemd, de keuken thuis, in het kader van een groot multidisciplinair onderzoeksproject. Er is in zeven dikke boeken, getiteld Techniek in Nederland in de twintigste eeuw (1998-2002), verslag van gedaan.

Berendsen ontvangt de verslaggever uiteraard aan haar keukentafel, een kloek blankhouten exemplaar dat de grote woonkeuken in haar nieuwbouwhuis volledig domineert. Een paar jaar geleden was dat in deze straat ondenkbaar geweest. Veel van de eenvoudige flatwoningen die deze Haagse naoorlogse wijk tot voor kort kenmerkten – en waar er nog steeds heel veel van zijn – hebben piepkleine keukentjes, gangetjes eerder. „Van die pijpenlakeukens met aan één kant het fornuis, de gootsteen met de emmers eronder en zo’n zelfgemaakt gordijntje daarvoor, en nog wat kastjes. Aan de andere kant pasten dan geen kasten meer, want dan kon je er niet meer lopen. Een tafel kon je er echt niet in kwijt.” Zulke keukens waren in de jaren vijftig, zestig van de vorige eeuw nog de trend.

Maar eerst gaat Berendsen terug naar het einde van de negentiende eeuw, het begin van de periode waar haar onderzoek zich op richtte. Er waren in die tijd grote verschillen tussen rangen en standen, vertelt ze. Aan de ene kant had je de rijken in hun grote huizen. „Bij hen was de keuken ook nogal groot, meestal nog met een of meer bijkeukens, bijvoorbeeld om te wassen. In die keukens werkte en leefde het personeel: daar werden dingen besproken, kwamen de leveranciers langs. Vaak allemaal aan de achterkant van het huis, achter de schermen – met opzet, natuurlijk, want de voorkant van het huis is dan waar het gezin zich presenteert.”

Aan het andere uiteinde van het sociale spectrum had je de arbeiders in hun woninkjes die geen keuken hadden – of alleen maar uit een grote keuken bestonden, zo kun je het ook zien. „Er was één vertrek waar alles in moest plaatsvinden. Er werd gegeten, geslapen, gewassen en gekookt – in de winter op de kachel en in de zomer op een petroleumstel. Er was niet altijd riolering. Vanaf circa 1870 tot aan de Eerste Wereldoorlog stond bij veel arbeidersvrouwen de beerton naast de kookplek.”

In de loop van de negentiende eeuw begonnen onder meer sociaal bewogen ambtenaren, artsen en architecten zich druk te maken over die onhygiënische woonomstandigheden van de arbeiders, vertelt Berendsen. „De ‘sociale quaestie’, werd dat genoemd. Men begon in te zien dat koken en wassen gescheiden zou moeten worden van wonen en slapen. De was doen was in die tijd ook verschrikkelijk: door het opkoken kreeg je waterdamp in huis en schimmel door het vocht.” Aan het begin van de twintigste eeuw leidde dit tot wetgeving (zoals de Woningwet) en begonnen architecten de nieuwe inzichten toe te passen in hun ontwerpen voor arbeiderswoningen.

In de middenklassen speelden begin twintigste eeuw andere problemen: daar ging de standaard van het huishoudelijk werk al omhoog. „Er was waterleiding en riolering, dus er kon vaker gewassen worden en dat moest toen ook. Kijk, lakens kun je één keer per maand wassen, maar je kunt ze ook één keer per week wassen. Het hele huishouden werd meer werk; álles moest schoner. Personeel werd moeilijker te vinden, dus er kwam meer druk op de huisvrouw. Het werd echt een beroep, waar je status aan kon ontlenen als je het goed deed.”

Eén mogelijke oplossing om zowel de arbeiders- als de middenklassevrouwen te helpen, was de was en het koken buitenshuis laten doen, door coöperaties. Zo hadden in Leiden vrouwen uit de gegoede middenklasse de Leidse Coöperatieve Keuken opgericht, vertelt Berendsen. „Daar werd verantwoord gekookt; je kon er ter plekke eten in een eetlokaal, maar je kon ook bestellingen aan huis laten bezorgen. Ze hadden een heel wagenpark, in eerste instantie met paard en wagen, maar later ook met auto’s.” Ook de was werd uitbesteed, al was het probleem wel dat andere mensen dan je ondergoed te zien kregen. Dus de meesten wasten die tere weefsels toch liever zelf.

En dat huisvrouwenideaal won uiteindelijk, vertelt Berendsen. „Het idee van: een echte huisvrouw doet het allemaal zelf. Dat vond men professioneel.” In het interbellum verdwenen de coöperaties dus weer – volgens sommigen zouden ze het gezinsleven ook te veel aantasten. Maar de bemoeienis van buitenaf met het huishouden was daarmee allerminst verdwenen. Architecten, woningbouwverenigingen, vrouwenorganisaties en andere partijen overlegden voortdurend over de beste manier om een arbeiderswoning, inclusief keuken, in te richten. Alles met de bedoeling om de arbeiders te verheffen en te bevrijden uit hun slechte omstandigheden.

De meningen waren verdeeld over de manier waarop dat moest, vertelt Berendsen. De confessionele en liberale woningbouwverenigingen waren voor de woonkeuken. „Gezellig – en dan kon de huisvrouw haar werk doen én op de kinderen letten. Dat zou het gezinsleven bevorderen.” Maar socialistische woningbouwverenigingen vonden juist dat werken en wonen gescheiden moesten worden. Die bepleitten een kleine keuken waar niet iedereen kon gaan zitten eten. Rond 1920 bepaalde de overheid dat die kleine keuken de norm moest worden. „Om ervoor te zorgen dat moeder dan toch op de kinderen kon letten, werden er bijvoorbeeld luikjes aangebracht tussen de keuken en de woonkamer”, vertelt Berendsen. „Soms voor een deel van glas, zodat je naar de kinderen kon kijken zonder dat etensgeurtjes de kamer inkwamen. Je kon ze openschuiven om het eten door te geven.”

Het huishoudelijk werk in zo’n werkkeuken werd in die tijd aan hetzelfde type efficiencydenken onderworpen als fabrieks- en kantoorarbeid. Keukens moesten zo ingericht worden dat de huisvrouw letterlijk het minimale aantal stappen hoefde te zetten om bijvoorbeeld een maaltijd te bereiden. Het moest allemaal zakelijk, rationeel. Dat gaf een bepaalde status aan het huisvrouwschap, zegt Berendsen. „Maar je ziet ook wel een flinke discrepantie tussen ideevorming en wat er daadwerkelijk in huizen tot stand komt. De ideeën voor het efficiënte bouwen waren in het interbellum al ontwikkeld, maar die werden in de jaren vijftig, zestig pas op grote schaal toegepast, toen er na de oorlog zo’n enorme woningnood was. Terwijl de ideeën over het gezinsleven dan alweer aan het veranderen zijn: vrouwen hadden echt geen zin meer om in hun eentje bij dat aanrecht te blijven staan. Wat natuurlijk niet meer aansluit bij de huizen die toen gebouwd werden, met die kleine keukens.”

Nog een probleem was: waar laat je in zo’n kleine keuken allerlei apparaten? „In de jaren vijftig, zestig komt de koelkast de keuken in, en de wasmachine moet ook ergens staan. Maar een grotere keuken is duurder om te bouwen, dus vaak werd er dan toch gekozen voor een kleinere keuken en dan moesten de mensen zelf maar zien hoe ze dat oplosten.”

Een vaatwasser, daar werd al helemaal niet op gerekend. „Nederland was sowieso laat met het accepteren van technische huishoudelijke apparaten”, vertelt Berendsen. „Een apparaat kostte geld; arbeid van vrouwen was gratis. Na de oorlog was 98 procent van de getrouwde Nederlandse vrouwen voltijds huisvrouw. Die hadden de tijd: hun werkdag duurde van opstaan tot slapengaan. Gezinnen kochten dus vaak eerder een televisie dan een wasmachine: die tv was voor het hele gezin en de wasmachine alleen voor de huisvrouw – en ja, wat leverde dat nou extra op, de was gebeurde toch wel.”

Daar moest natuurlijk wel een reactie op komen, al die vrouwen en keukenapparaten die schreeuwden om ruimte. Vanaf de jaren zeventig, tachtig kwam geleidelijk de omslag, waarvan ook de keukentafel zou profiteren. „Dan begint de woonkeuken op te komen”, vertelt Berendsen, „in de eengezinswoningen en de doorzonwoningen. Er werd samen gegeten en daarvóór stond één persoon te koken terwijl de rest er lekker bijzit.” Vrouwen gingen steeds vaker werken, dus dit was ook hét moment dat het hele gezin bij elkaar was. „Dat gezinsleven wil je dan niet in al die aparte vertrekken plaats laten vinden. En het kón in de keuken, ook technisch gezien. Je had de afzuigkap; de wasmachine staat elders. Dus de keuken kon weer het toneel van het gezin worden, zonder hygiëneproblemen of overlast.”

Nou had lang niet iedereen natuurlijk meteen een grotere keuken; weer liep de woningbouw achter de maatschappelijke ontwikkelingen aan. Sommige mensen braken hun keuken dus zelf door naar de woonkamer om een prettige leefkeuken te creëren, met de keukentafel als levendig centrum.

En rond deze tijd houdt het onderzoek van Berendsen op. Maar keuken en keukentafel ontwikkelden zich verder. Vanaf de jaren negentig ontgroeide het meubelstuk steeds meer zijn woorden-boekdefinitie (‘eenvoudige tafel voor de keuken’) en werd het in eerste instantie een nostalgisch symbool voor de plek waar het ideale gezin zijn tijd doorbrengt. Zo’n gezin waarvan de leden met elkaar praten, in plaats van tv kijken of computeren en bij wie vrienden altijd welkom zijn.

„Een soort romantisering van hoe het er vroeger op een boerderij aan toeging”, zegt de Britse emeritus hoogleraar sociologie Stephen Mennell. Hij doet geen moeite zijn cynisme te verbergen: „Terug naar ons plattelandsverleden, dat zo ‘authentiek’ zou zijn. Ik ben van nature cynisch, maar helemaal als mensen het over authenticiteit hebben. Het nastreven daarvan is altijd enigszins verdacht. Meestal maken mensen dan een verleden mooier dat helemaal niet zo mooi was.” In die arbeiderswoninkjes van vroeger, weet Marja Berendsen, had je nooit privacy. „Je zat altijd heel dicht op elkaar. Als iemand vervelend was, dan had je die permanent om je heen. En als er iemand ziek was, dan lag die er gewoon ook ziek tussen.”

Maar goed, zegt Mennell: „Het nieuwe keukentafelsyndroom is in elk geval wel een reactie op het ouderwetse huisvrouwenideaal waar we nu de rillingen van krijgen. Zo’n vrouwtje dat eenzaam in de keuken staat te sloven om prachtige diners klaar te maken voor haar echtgenoot, tevens haar baas, met crêpes suzettes en dat soort dingen meer.”

En, zegt hij, dat iedereen die mee-eet nu om de keukentafel zit en min of meer meedoet met koken, hangt ook samen met de informalisering van de omgangsvormen. „Vroeger gaf je officiële etentjes, naar aristocratisch voorbeeld, met allerlei soorten gespecialiseerd bestek en dergelijke. Nu is het allemaal veel minder formeel, veel relaxter – wat trouwens niet betekent dat er geen regels zouden zijn. Misschien zijn mensen zich juist wel bewuster van die regels.”

Ineke Strouken van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur legt uit: „De laatste veertig jaar zijn de privéwereld en de buitenwereld steeds meer gescheiden geraakt. In de jaren zestig ‘kwamen de mensen achterom’ en dan stonden ze gewoon meteen bij je binnen. Dat vinden we nu heel onprettig, maar na een periode van individualisering merken we wel weer dat we mensen nodig hebben.” Alleen willen we nu zelf kiezen wie en wanneer. „Dat je een afspraak moet maken om bij iemand op bezoek te gaan, is eigenlijk nog maar heel kort”, zegt Strouken. „Nieuwe Nederlanders vinden dat ook heel kil van ons.”

Niet iedereen is dus zomaar altijd welkom aan onze keukentafel. En dat we mensen – soms ook zakelijke contacten, zoals verslaggevers – juist daar verwelkomen is ook minder gastvrij dan het lijkt. Het heeft de sfeer van ‘informeel, dus prettig, dus goed’, maar dat informele is met ongeschreven regels omgeven – verder dan de keuken komt zakelijk bezoek niet. „Je laat natuurlijk meer van je privé zien dan wanneer je iemand op kantoor of je werkplek ontvangt”, zegt Marja Berendsen. „Het is letterlijk een kijkje in de keuken. Maar de keuken is niet het meest private gedeelte van het huis – het is eigenlijk het meest openbare privévertrek.”

En de keukentafel is het symbool daarvan. Zo heeft hij ook in het taalgebruik carrière gemaakt. Het grappige is: dat het woord steeds vaker in de krant opduikt, komt lang niet alleen doordat journalisten vaker bij mensen thuis aan de keukentafel mogen plaatsnemen. Van de 72 keer dat het woord keukentafel in 2009 in deze krant stond, ging het in nog geen kwart van de gevallen om verslaggevers iemand aan de keukentafel interviewden – en in 1990 ook ongeveer. Wel nam het aantal beschrijvingen van werken aan de keukentafel sterk toe, en van de keukentafel als plek voor informele gesprekken. Daar is het woord een metafoor voor geworden: voor werken zonder baas, praten zonder toezicht. Voor vrijheid dus. Misschien is het al een cliché geworden; dan zullen we ermee moeten minderen. Maar wel ‘met pijn in het hart’. Want we houden veel van de keukentafel.