Farmacie verdwijnt, andere bedrijven komen

Farmacieconcerns Abbott en Merck snoeien in hun onderzoeksafdelingen in Weesp en Oss. Politici willen de banen en de kennis redden. „Niet slim.”

Met stijgende irritatie heeft Ruud Smits, hoogleraar Technologie en Innovatie aan de Universiteit Utrecht, deze week naar vakbonden en Tweede Kamerleden zitten luisteren. „Houden ze zich van de domme, of begrijpen ze gewoon niet wat er zich in de wereld aan het voltrekken is?”, zegt hij.

Het begon dinsdag. Farmacieconcern Abbott kondigde aan 510 banen te schrappen bij het onderzoekslaboratorium in Weesp, het vroegere Solvay. Politici en vakbonden steigerden meteen. Het was „een reflex” die Ruud Smits een paar maanden eerder ook had gezien, toen farmaciegigant Merck bekend maakte 2.100 banen te schrappen bij zijn vestiging in Oss, voorheen Organon. Ook toen volgde meteen die reactie: onze kennis lekt weg. Dit mag Nederland niet laten gebeuren. Regering, doe iets!

Smits vindt dat politici zich blindstaren op dat ene begrip: research & development. Onderzoek en ontwikkeling. R&d in jargon. Het klopt dat Nederland daar – vergeleken met andere westerse landen – gemiddeld scoort. Het klopt ook dat veel andere landen uitgaven daarvoor verhogen en dat ze in Nederland al jaren constant zijn. Stilstand is dus eigenlijk achteruitgang. Maar het beeld wordt vertekend, zegt Smits. R&d vindt vooral plaats in de industrie en het belang daarvan is afgenomen. De Nederlandse economie is de laatste decennia veranderd van een goedereneconomie in een diensteneconomie. Eind jaren zestig bedroeg de toegevoegde waarde van de industrie nog bijna een kwart van het bruto binnenlands product (bbp, de waarde van alle geproduceerde goederen en diensten). Het is daarna gestaag teruggelopen en maakt nu nog ongeveer tien procent uit van het bbp.

Er is stuivertje gewisseld met een andere sector, de financiële en zakelijke dienstverlening. Die maakte eind jaren zestig nog tien procent uit van het bbp, maar inmiddels circa een kwart. In die sector wordt veel geïnnoveerd, zegt Smits. Maar wat zie je ervan terug in de cijfers? „Niks”, zegt hij. Het staat officieel niet te boek als r&d. Innovatie in de diensteneconomie laat zich heel lastig meten, zegt Smits.

De innovatiehoogleraar geeft toe dat r&d belangrijk is voor economische groei. Maar hoeveel je er als land van moet hebben? Brussel wil dat elke lidstaat van de Europese Unie drie procent van het bbp besteedt aan r&d, om de ‘kenniseconomie Europa’ te verbeteren. Nederland zit net onder de twee procent. Maar waar komt dat getal, die drie procent, vandaan? „Dat is ooit uit de lucht komen vallen”, zegt econoom Bart Los van de Rijksuniversiteit Groningen. Het gaat volgens Los om de economische structuur van een land. Zwitserland heeft bijvoorbeeld een sterke farmaciesector. Die vraagt om enorm veel investeringen in r&d. Dat is veel minder het geval bij een sector als voeding, waarin Nederland zich onderscheidt.

Econoom Bas ter Weel van het Centraal Planbureau haalt nog een ander punt aan. De laboratoria in Oss en Weesp liggen betrekkelijk geïsoleerd. Tegenwoordig doen bedrijven hun onderzoek en ontwikkeling bij voorkeur in de buurt van een universiteit, waar de potentiële werknemers zitten en hoogleraren om mee samen te werken. Ook de afstand tot startende ondernemers en dienstverleners is klein.

Zo heeft het Japanse farmaconcern Astellas eerder dit jaar besloten zijn onderzoeksvestiging in Leiderdorp, waar 550 mensen werken, in zijn geheel te verplaatsen naar het Bio Science Park in Leiden. Zo kan het bedrijf makkelijker samenwerken met de universiteit en met biotechbedrijven op het terrein. Het concern wil ook uitbreiden en verwacht op de nieuwe locatie makkelijker aan het gewenste hoogopgeleide personeel te komen.

„Dat is waar steden zich op moeten richten”, zegt Ter Weel. Een open cultuur creëren waar mensen makkelijk met elkaar in contact kunnen komen en informatie uit kunnen wisselen. Dat is het nieuwe mantra: kennis moet stromen. Tussen chemici, economen, ict’ers en ondernemers. Zodat een continue vloed aan ideeën ontstaat die uitgewerkt worden in nieuwe producten en diensten. Zo verdient een moderne kenniseconomie zijn geld. Door nieuwe dingen op de markt te brengen – in een steeds hoger tempo. Ging een softwarepakket ooit nog twintig jaar mee, nu is dat drie jaar. Nog maar zes jaar geleden duurde de ontwikkeling van een auto vijf jaar. Nu nog maar twee. Deze ontwikkeling dwingt bedrijven en universiteiten bij elkaar te gaan zitten en continu informatie uit te wisselen. „Kennis wordt nog steeds het best overgedragen via face-to-face contact”, zegt Ter Weel.

Zo hebben zich overal ter wereld clusters gevormd. Het grote voorbeeld is Silicon Valley, het hightech-industriegebied ten zuiden van San Francisco, met een hoge dichtheid aan computer- en internetbedrijven in de omgeving van Stanford University in Palo Alto.

Nederland heeft ook van die clusters. In de omgeving van Eindhoven bijvoorbeeld, rond het thema hightechapparatuur. En bij Wageningen, rondom het thema voeding. „Maar Oss lijkt me geen cluster”, zegt Ter Weel, „en Weesp ook niet.” Hij zet zijn vraagtekens bij de reflex van vakbonden en politici om op die locaties nu een sciencepark te willen opzetten. „Niet slim”, zegt Ter Weel. Nederland moet de realiteit onder ogen zien: grote internationale farmacieconcerns struinen de wereld af op zoek naar de beste locaties voor hun laboratoria. Voor Merck en Abbott hoort Nederland daar blijkbaar niet meer bij.

Op andere gebieden, zoals voeding, draait Nederland wel in de top mee. Het Franse Danone heeft vorig jaar besloten zijn research in Nederland, Duitsland en België te gaan bundelen op het universiteitsterrein van de Universiteit Utrecht. Het nieuwe lab opent over twee jaar en voorlopig komen er vierhonderd mensen te werken.

Daarom vindt Ter Weel de aankondigingen van Merck en Abbott niet alarmerend. Op andere plaatsen komt er weer r&d terug. Op het Bio Science Park in Leiden zitten inmiddels zo’n zestig bedrijven met in totaal ruim 3.000 werknemers. Het doel is om dat aantal in de komende vijftien jaar tenminste te verdubbelen.

Toch is niet iedereen er even gerust op. Volgens Henk Volberda, hoogleraar strategisch management en ondernemingsbeleid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, is er wel degelijk sprake van een verontrustende trend. Merck en Abbott trekken weg uit Nederland. Multinationals als Philips, Shell en Unilever schroeven hun uitgaven aan r&d in eigen land terug. Daarom wordt Nederland volgens Volberda minder interessant als broedplaats voor nieuwe producten en ideeën. Hij vindt dat werkgevers en werknemers dit thema serieus moeten oppakken. „Waarom polderen ze wel over loonontwikkeling maar niet over investeringen in r&d?” Volberda vindt ook dat de overheid meer moet sturen: voer een duidelijk industriebeleid waarin keuzes worden gemaakt, zoals in Denemarken, Duitsland en Frankrijk.

Dat vindt ook innovatiehoogleraar Alfred Kleinknecht van de Technische Universiteit Delft. Zwitserland en Frankrijk hebben bewust gekozen om van de farmaciesector een speerpunt te maken. Bedrijven en laboratoria worden gelokt met fiscale voordelen en de belofte dat ze er hun nieuwe producten sneller op de markt kunnen brengen dan elders in Europa. Maar Nederland maakt zo’n duidelijke keuze niet, zegt Kleinknecht. „Onze overheid kiest voor flowers & food, hightech systemen en materialen, water, creatieve industrie, chemie, pensioenen en sociale verzekeringen”, somt hij op. Het is het polderklimaat in optima forma – tachtig procent van de Nederlandse bedrijven valt hieronder. De best georganiseerde lobbies hebben volgens Kleinknecht gewonnen. „Terwijl de kracht juist zit bij de nieuwe bedrijven, de uitdagers. Maar die hebben niet zo gemakkelijk toegang tot Economische Zaken als Philips, Akzo en Shell.”

Ook Volberda vindt dat de overheid duidelijker moet kiezen. Maar of de keuze dan op de farmaciesector moet vallen en de laboratoria in Oss en Weesp gered moeten worden? Daarover twijfelt hij. „In Nederland blijkt het rendement op r&d in de farmacie een stuk lager te liggen dan bijvoorbeeld in de chemie, de zakelijke dienstverlening of de mediasector”, zegt hij.

Hoogleraar Smits heeft ook zijn bedenkingen. De farmacie vergt enorme investeringen en kent grote risico’s. Als de overheid deze sector serieus wil laten concurreren met die in Frankrijk en Zwitserland dan zijn daar miljardeninvesteringen voor nodig. Moet Nederland zich daaraan wagen? Het wordt voor grote farmacieconcerns steeds moeilijker om nog nieuwe medicijnen te ontwikkelen die uiteindelijk een miljardenomzet gaan genereren. Smits: „Er zijn mensen die verwachten dat de farmaciegiganten binnen tien jaar in elkaar storten omdat ze hun omzet niet meer op peil kunnen houden.”

Hij wil maar zeggen: komen de ontslagen in Oss en Weesp nu niet, dan over een paar jaar wel.