Etnische registratie? Ja, maar niet voor misbruik

In artikel 1 van de Grondwet staat dat allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk worden behandeld.

Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Het doet er in beginsel dus niet toe of je in Nederland een zigeuner bent, Vlaming, Fries of Marokkaan. De overheid is kleurenblind. Dat is een plechtanker van de rechtsstaat.

Tegelijk beschikken overheid en bedrijfsleven over zeeën van gedetailleerde persoonsinformatie. Alles wordt opgeslagen, onthouden, nagezocht, doorgestuurd, gecombineerd en verrijkt, door allerlei partijen. Meestal gebeurt dat onder wettelijke privacyregels. Maar uiteindelijk zijn afkomst en huidskleur van iedereen wel bekend of in ieder geval in allerlei databases na te slaan. Niet alleen door de overheid.

De klassieke vraag of lidmaatschap van een groep ook tot ongelijke behandeling mag leiden, is nu actueel rondom de Roma. Onderscheid maken kan immers ook positief werken. Maar is ‘etnische registratie’ daarvoor een middel? Of is het gevaar van misbruik te groot? De geschiedenis kent immers talloze voorbeelden waarin de politiek ras- of etnische informatie gebruikte om burgers ernstig te benadelen.

Wanneer is onderscheid maken (en registreren) wel gerechtvaardigd? Daarover woedt in Nederland al jaren een politiek debat. Ruwweg willen linkse partijen etnische afkomst registreren om deze groepen bij onderwijs of huisvesting gericht te kunnen beschermen of bevoordelen. Bij een partij als de PVV wordt ‘etnische registratie’ bepleit vanuit het vooroordeel dat alle moslims in beginsel gewelddadig zijn omdat ze in de Koran geloven. Daar is etnische registratie veiligheidsbeleid. Moslims, vrijwel altijd migranten, zouden in deze redenering een bedreiging zijn voor autochtonen. Ook dit is een evergreen uit de geschiedenis: klassieke xenofobie gebaseerd op angst en gebrek aan kennis. Die loopt doorgaans uit op apartheid en groepsvervolging. Zo bezien is etnische registratie dus een kwaad dat bestreden moet worden.

Legitimiteit en proportionaliteit, oftewel de redelijke verhouding van een gewettigd doel tot de middelen, zijn hier echter alles. De internationale rechtspraak laat onder strenge voorwaarden ongelijke behandeling van een etnische groep toe. Als maatstaf geldt de vraag of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor is. Het probleem dat ermee wordt opgelost, moet bovendien behoorlijk ernstig zijn. Een database met bijvoorbeeld alleen Antillianen of Roma mag er komen. Als die maar bedoeld is om hulpverlening te coördineren of bijvoorbeeld stevig schoolverzuim te bestrijden. Het doel dient objectief van voldoende gewicht te zijn om gebruik ervan te rechtvaardigen. Aan die toets voldoet het PVV-plan in geen velden of wegen.

Uitzonderingen op het discriminatieverbod kunnen dus worden toegestaan mits ze fair, redelijk en legitiem zijn en gebaseerd op objectiveerbare noodzaak. Dan is ‘etnische registratie’ een middel dat binnen de rechtsstaat kan passen. En dat trouwens ook al jaren doet. Het kan een hulpmiddel zijn voor groepsbeleid. Maar het mag nooit een stok worden om de individuele burger mee te slaan vanwege diens afkomst. Of geloof in het verkeerde boek.