Eet meer Freud

Het AW-lab ligt er verlaten bij. De chef AW is een weekje weg; de onervaren laborant mag van het lab gebruikmaken. Waar te beginnen, wat te doen? Alles mocht, maar dingen laten ontploffen is eng zonder toezicht en opruimen aardig bedoeld, maar niet handig – juist wat beschimmeld is, kan een proefje zijn. Gelukkig ligt tussen de kranten in de hoek een oude Donald Duck. Nog van de zomer.

Er heerst een ernstige hittegolf in Duckstad, het jaloersmakende voorbij. Donald heeft een baantje als ijsverkoper. Geen roomijs maar bevroren water, al dan niet in blokjes, om de Duckstedelingen en hun voedsel koel te houden. Donalds baas, meneer Talletje, hakt het zelf uit bevroren zuiver bronwater. Ze doen goede zaken; bevroren water is het nieuwe goud. Pas pagina’s diep in het verhaal blijkt dat Donalds baas Kris heet, van zijn voornaam. IJshakker Kris Talletje.

Een kwartier later zijn de tranen van het lachen alweer opgedroogd. Want het heeft iets gênants, zo hard moeten lachen om een woordspeling. Vorige week berichtte deze krant over een geplande autoweg door Serengeti die gnoes op trektocht dwars zou zitten, dit onder de kop ‘Een gnoe gaat niet gauw over een zebrapad’. Het deed enkele redacteuren de wenkbrauwen fronsen. Een woordspeling in een kop, dat is toch, eh, nogal volks?

Maar waarom? De Britse kranten hebben elke dag wel een pun – en niet alleen de tabloids. The Guardian zette laatst ‘Old Spice’ boven een verhaal over een 77-jarige motorrijder op reis door kruidig India; het fotobijschrift luidde ‘Rebel without a korma’ (een Indiaas kerriegerecht). The Observer onthulde – een primeur – dat de kookscholen van Jamie Oliver met sluiting bedreigd werden; in de kop stond ‘learn-to-cook centre faces the chop, oftewel: er dreigt gesneden te worden in de kookscholen. Britten krijgen maar moeilijk genoeg van woordspelingen. Tijdens het bezoek van de paus verkochten ze elkaar ‘benedictafoontjes’ (digitale opnameapparaatjes in de vorm van een bemijterd pausenhoofd) en T-shirts met ‘I love my German Shepherd’ (‘ik hou van mijn Duitse herder’).

Aan de andere kant excuseren de Britten zich ook voor hun woordspelingen: pun not intended, zeggen ze dan, woordspeling onbedoeld. Of zouden dat vooral de Amerikanen zijn? De scheurkalender van The New Yorker heeft een rubriekje dat zeer verontschuldigend Groaners heet, ‘kreuners’: met ‘ ’s werelds beste slechte grappen en woordspelingen’. Inderdaad barstten verschillende onschuldige proefpersonen deze week in kreunen uit bij het van AW-wege ondergaan van zo’n grap. ‘Where did the little king keep his armies?’ luidde de vraag van 11/12 september. ‘Up his sleevies!’, was het antwoord. Mocht u het Engels niet goed beheersen, dan is dit het moment om daar blij om te zijn.

Maar woordspelingen zijn niet per definitie om te kreunen. Het moederblad van de scheurkalender zette vorige week ‘The Which Blair Project’ boven een bespreking van de biografie van de Britse ex-premier. Mooie verwijzing naar gruwelen (de horrorfilm The Blair Witch Project) én naar de vraag met welke Tony Blair we nu precies te maken hebben in het boek, oftewel hoe oprecht hij is. Zo’n kop is heel bevredigend. Dus waarom wordt er dan zo neergekeken op de woordspeling, als ware die een inferieure vorm van humor? En waarom voelen sommige woordspelingen zo pijnlijk, tot kreunens toe?

Zo direct lijken die vragen nooit aan onderzoek onderworpen te zijn. Wel is duidelijk: woordspelingen kunnen soms erg simpel zijn. Kinderlijk. Daar is zelfs wetenschappelijk bewijs voor. Het tijdschrift Neurocase (psychiatrische gevalsbeschrijvingen) berichtte drie jaar geleden over een 81-jarige vrouw, flink dement, die toch nog ‘indrukwekkend’ grappig kon zijn doordat ze voortdurend woordspelingen maakte. Freud schreef al dat woordspelingen in dromen voorkomen, wanneer we toch ook niet op ons wakkerst zijn.

En computers zijn zelden actief grappig, maar woordspelingen kun je ze wel leren maken. Een team Britten (uiteraard) ontwierp er speciale STANDUP-software voor, bedoeld om de taalvaardigheid van kinderen die moeilijk praten te verbeteren. (STANDUP staat voor System To Augment Non-speakers’ Dialogue Using Puns.) Het ligt voor de hand om te bedenken dat mensen te simpele grappen beschouwen als een belediging voor hun intelligentie.

Maar niet alle woordspelingen zijn simpel: in onderzoek wordt wel onderscheid gemaakt tussen eenvoudige en meer subtiele. Bij de eerste worden twee op elkaar lijkende woorden – bijvoorbeeld qua spelling of klank – met elkaar in verband gebracht ‘gewoon omdat het kan’, wat volslagen onzin oplevert (zoals bij de armies hierboven). Bij het complexere type krijgt de combinatie een extra betekenis die relevant is voor wat er gezegd wordt. Niet dat dat per definitie tot iets moois leidt. Op Wiki staat als voorbeeld van zo’n subtiele woordspeling: ‘Eventuele aanleg van de Rijn-Gouwe Lijn is een gepasseerd station.’ Nog steeds een kreuner, blijkt na kleinschalig psychologisch AW-onderzoek. Maar waarom toch?

Zou het van de context afhangen? In het algemeen blijken mensen (althans, studenten) woordspelingen in advertenties wel te waarderen. Ze vinden het beter als een woordspeling complexer is, maar simpele woordspelingen vinden ze ook al leuk, hebben onderzoekers uit Nijmegen uitgevonden. En woordspelingen in teksten van bijvoorbeeld Shakespeare en John Donne worden ook door volwassen academici gewaardeerd. Die in de Donald Duck trouwens ook.

De Britse taalkundige Neil Norrick gaf in 2003 iets wat nog het meest lijkt op het begin van een verklaring voor het kreuneffect van de woordspeling. In gewone conversaties, schreef hij in het Journal of Pragmatics, kunnen woordspelingen de flow van het gesprek sterk onderbreken – meer dan bijvoorbeeld ironie sturen ze de conversatie op een zijspoor. Ze brengen de gesprekspartners ook weleens in een speelse stemming, maar vaak hebben ze eerder iets agressiefs. En agressie bij de een leidt tot kreunen bij de ander.

Ach, het is in elk geval een begin van een verklaring.