De lopende band van Watergraafsmeer ligt stil

De kritiek van Cruijff op Ajax, deze week, deed veel stof opwaaien. Zijn zorg over de jeugdopleiding in Amsterdam is terecht.

Ajax staat bovenaan in de eredivisie, de Arena zit vrijwel elke wedstrijd vol en de ploeg speelt voor het eerst sinds vijf jaar weer Champions League. Binnen de technische staf, en in het bestuur, is het in jaren niet zo rustig geweest. Tot zover geen klachten vanuit het voormalige Europese voetbalbolwerk.

Toch brandde Johan Cruijff zijn club deze week opnieuw tot op de grond toe af, nota bene een dag nadat Ajax Feyenoord tot figurant had gedegradeerd. Er moet een „grote bezem” door de club, schreef hij in De Telegraaf. De financiën, de opleiding, de scouting, het aankoopbeleid en het voetbal – het is allemaal „één groot drama”, oordeelde het erelid uit Barcelona.

Is Ajax daadwerkelijk zo diep gezakt, of overdrijft Cruijff?

Drie jaar geleden liet Ajax, toen nog onder voorzitterschap van John Jaakke, intern onderzoek doen naar de aanhoudend ondermaatse prestaties sinds, ruwweg, 1998. Ajax had in 1995 de Champions League gewonnen, maar na de verhuizing van de Meer naar de Arena (1996) en de beursgang (1998) stokten de successen.

In het rapport Ajax, de weg naar winst (2008) kwam een ander erelid, Uri Coronel – nu voorzitter van de club – met 38 aanbevelingen over zaken uiteenlopend van de beursgang tot de aankoop van spelers, en van de opleiding tot de contacten met supporters. Cruijff, die vorige week hoofdschuddend zag hoe Ajax werd overlopen door Real Madrid, vindt dat hoofdverantwoordelijke Coronel niets heeft gedaan met de bevindingen.

De feiten leveren een meer gecompliceerd beeld op. De relatieve rust die tegenwoordig heerst rond de Arena is onvergelijkbaar met de chaos in de periode die Coronel onderzocht. De bijna traditionele machtsstrijd tussen technisch directeur en trainer, zoals die tussen Leo Beenhakker en Co Adriaanse, tussen Louis van Gaal en Ronald Koeman en tussen Martin van Geel en Henk ten Cate, is verdwenen. Op voetbaltechnisch gebied heeft Ajax één sterke man: Martin Jol. De structuur met één manager, vergelijkbaar met de rol van sir Alex Ferguson bij Manchester United, was één van de alternatieven die Coronel opperde.

Maar andere zaken veranderden niet, of nauwelijks. Coronel vond in 2008 dat het afgelopen moest zijn met de praktijk dat een nieuwe trainer bij Ajax een geheel eigen gevolg van helpers mocht aanstellen. „Ajax moet bij voorkeur bepalen wie de assistent-trainers zijn”, schreef hij destijds. „Onwenselijk is een situatie waarbij de hoofdtrainer geheel naar eigen goeddunken zijn eigen staf meeneemt en aanstelt.”

Maar in navolging van Ten Cate en Marco van Basten kiest ook Jol naar hartelust zijn eigen medewerkers, inclusief zijn eigen broer Cock, als assistent-trainer. Jols zaakwaarnemer Mino Raiola speelt een voorname rol in Ajax’ personeelsbeleid.

Iets verder weg van het voetbalveld staat een ander advies dat voortvloeide uit het onderzoek van Coronel: hij wilde laten onderzoeken hoe de beursnotering van Ajax beëindigd kon worden. Want behalve een eenmalige kapitaalinjectie had de beursgang, „geen financiële meerwaarde”. Integendeel: betrokkenen denken dat de beursgang juist het begin markeert van de problemen waarmee Ajax worstelt. De club had na de beursgang, die omgerekend ruim 54 miljoen euro opleverde, voor het eerst veel geld voor nieuwe spelers. „We hebben door de beursgang te veel spelers gekocht”, zei oud-penningmeester Arie van Os in 2008 in deze krant. „Ajax was een rijke club. Ik kon niet meer tegen een trainer zeggen: er is geen geld.” En trainers, leerde hij, zitten maar kort bij Ajax. Ze willen snel scoren.

Van Os legde de vinger op een gevoelige plek: waar Ajax vroeger niet anders wist dan dat het zelf spelers moest opleiden, konden ineens spelers worden ‘gehaald’ die in de opleiding niet voorhanden waren. De club stak bovendien veel geld in voetbalscholen in België, Ghana en Zuid-Afrika, maar goede Ajax-trainers wilden daar niet heen en samenwerken bleek moeilijk. Ondertussen stagneerde de opleiding op De Toekomst, het trainingscentrum naast de Arena.

Maar Ajax kon kopen – en deed dat naar believen, zo blijkt uit een inventarisatie. Sinds 1998 schafte Ajax ongeveer honderd voetballers aan, maar op enkelen na, zoals Zlatan Ibrahimovic, Cristian Chivu, Maxwell en Klaas-Jan Huntelaar, verlieten de meeste aankopen de Arena weer via een zijdeur. Het slagingspercentage van Ajax’ aankopen in de laatste tien jaar werd vorig jaar door de club zelf gesteld op minder dan negen procent. De kapitaalvernietiging liep in de miljoenen.

Wat Johan Cruijff nog het meest steekt: alles wat Ajax ook probeerde of naliet – de beursgang, het nieuwe stadion, een batterij aan nieuwe trainers – het bracht de club de afgelopen jaren geen millimeter dichter bij de top van Europa. Integendeel, op de eerste speelavond van de Champions League, vorige week na een afwezigheid van vijf jaar, kon de conclusie alleen maar luiden dat de kloof onoverbrugbare vormen heeft aangenomen. In 1995 gaven de socios van Real Madrid de Ajacieden in Santiago Bernabéu nog een staande ovatie aan, voor de voetbalshow die ze hadden weggegeven. Die spelers waren grotendeels afkomstig uit de eigen opleiding.

In de huidige verhoudingen, waarin topclubs in de Champions League jaarlijks tientallen miljoenen kunnen spenderen, is het nauwelijks nog denkbaar, maar de successen van Ajax in de jaren zeventig en negentig waren te danken aan de alom bejubelde jeugdopleiding in Amsterdam. De lopende band in Watergraafsmeer produceerde bijna jaarlijks talenten die eens terecht zouden komen in Barcelona, Milaan of Manchester. Vooral spitsen.

Daar lijkt Cruijff een punt te hebben. De laatste jaren brengt de opleiding nauwelijks aanvallers van internationale klasse voort. Waar Ajax vroeger maar aan de boom leek te hoeven schudden voor een speler van het kaliber Wim Kieft, John Bosman, Marco van Basten, Dennis Bergkamp of Patrick Kluivert, telde de club de laatste jaren tientallen miljoenen euro’s neer voor aanvallers als Zlatan Ibrahimovic, Klaas-Jan Huntelaar, Dario Cvitanich, Luis Suarez, Miralem Sulejmani of Mounir El Hamdaoui. En eerder Markus Rosenberg, Nikos Machlas, Angelos Charisteas of Yannis Anastasiou.

Na de verkoop van de middenvelders Wesley Sneijder en Rafael van der Vaart zijn het tegenwoordig vooral verdedigers die doorbreken vanuit de opleiding op De Toekomst. Dat in de ‘basis’ van Ajax weer overwegend spelers uit de eigen jeugdopleiding staan – zoals Coronel adviseerde – doet Cruijff deugd. „Maar het gaat om de kwaliteit, niet om het aantal”, vindt hij.

Te midden van de crisis rond het verschijnen van het rapport-Coronel en de benarde positie van de Ajax-leiding, verscheen Cruijff met zijn auto voor de slagboom bij de Arena, op de avond van 19 februari 2008. ‘De Verlosser’ kwam thuis, noteerden de media gretig. Cruijff bood zijn diensten aan bij de club – maar alleen als hij carte blanche kreeg bij de reorganisatie van de opleiding. Die kreeg hij niet van de hoofdtrainer van dienst, Cruijffs voormalige oogappel Van Basten.

En zo snel als hij was gekomen, zo snel was Cruijff weer weg. Maar zijn aanbod blijft gelden, zei hij afgelopen woensdag nog maar eens. De opleiding voldoet in zijn ogen nog steeds niet, ook niet nadat hoofd jeugdopleiding Jan Olde Riekerink begin dit jaar zes jeugdtrainers de wacht aanzegde, onder wie oud-international Arnold Mühren. In Jong Oranje en de vertegenwoordigende elftallen daaronder spelen tegenwoordig vooral aanvallers uit de opleiding van Feyenoord.

Cruijff denkt nog altijd dat het mogelijk moet zijn, een Ajax in de top van Europa. Ook nu talenten soms al als tiener verhuizen naar hun ‘droomclub’ in Engeland of Spanje. Als de aanvoer maar niet stokt.

De toekomst zal uitwijzen of hij gelijk heeft. Niet alleen Ajax, maar ook vergelijkbare kleinere Europese topclubs als Benfica, FC Porto, Celtic of PSV, zijn steeds meer opvulling geworden voor het jaarlijkse kampioenenfeestje van Barcelona, Real Madrid, AC Milan, Inter Milaan, Manchester United, Arsenal en Chelsea. De financiële verschillen tussen de top en de rest zijn domweg te groot geworden. Een kleine club die het een paar maanden goed doet raakt bij de eerstvolgende ‘transferwindow’ zijn beste spelers kwijt aan de grootste concurrent.

Realistisch gezien kan UEFA-voorzitter Michel Platini met een drastische hervorming van het Europese topvoetbal – zoals het inperken van transfers, salarissen en leningen – op dit moment waarschijnlijk meer doen voor Ajax dan Johan Cruijff.