Bij de voorplaat

Voorlopers van zonnebloemen en paardebloemen groeiden 47,5 miljoen jaar geleden in de subtropische bossen van het noordwesten van Patagonië. Dat blijkt uit de ontdekking van dit bijzondere fossiel (Science, 24 september).

Paleontologen vonden de versteende bloem tijdens een zoektocht naar fossiele bladeren en insecten langs de Río Pichileufú. De kleisteenlagen langs deze Argentijnse rivier zijn beroemd om hun fossiele planten.

De bloem behoort tot de zeer soortenrijke familie van de Compositae (samengesteldbloemigen). Net als, naast het fossiel afgebeeld, van boven naar beneden en van links naar rechts: het madeliefje, de paardebloem, de zonnebloem, de artisjok, de zonnehoed en de Californische kompasplant. Wat één bloem lijkt, is in deze plantenfamilie een samenstelling van vele kleinere bloempjes. Paleontoloog Viviana Barreda van het Argentijns Natuurhistorisch Museum in Buenos Aires neemt het madeliefje als voorbeeld. “Dat lijkt een bloem met een geel hart en witte bloemblaadjes eromheen”, legt ze uit. “In werkelijkheid bestaat het madeliefje uit een cluster van bloemen. Witte bloempjes aan de rand en gele bloempjes in het midden.”

Net als het madeliefje bestaat ook deze oeroude bloem uit een cluster van kleine bloempjes die samenkomen in een zogeheten capitulum. Barreda denkt dat de bloem onderdeel was van een flora die zich uitstrekte over heel zuidelijk Gondwana. Dit supercontinent – dat ooit Antarctica, Afrika, India en Australië verenigde – was 47,5 miljoen jaar geleden uiteengevallen, maar Barreda mailt: “Er bestond een doorlopende corridor die Zuid-Amerika en Australië verbond, via Antarctica. Naar het verderop gelegen Afrika konden zaden zich door de lucht verplaatsen.” [MvN]