Afkicken voor cijferfetisjisten

Vorig jaar om deze tijd verwachtte het Centraal Planbureau nog dat onze economie dit jaar pas op de plaats zou maken. De macro-economische verkenning die het planbureau afgelopen dinsdag openbaar maakte, leert heel anders. Niks ‘nulgoei’. Volgens de huidige inzichten neemt het bruto binnenlands product dit jaar met 10 miljard euro toe. Reëel, nadat is gecorrigeerd voor de vertekenende invloed van de geldontwaarding.

De onvoorzien snelle opleving is te danken aan de uitvoer. Nederlandse exporteurs zien hun afzet sterk groeien, met dank aan de Chinezen en afnemers in andere opkomende landen. Die kopen in Europa vooral producten van de Duitse industrie, zoals dure auto’s. Nederland profiteert mee, want wanneer de oosterburen het geld laten rollen, neemt daarginds ook de koopkrachtige vraag naar ingevoerde waren aus Holland toe.

Komend jaar zet het overigens nog bescheiden herstel mogelijk door. Het bruto product zou reëel met 9 miljard euro kunnen groeien. De raming die het planbureau nu voor 2011 presenteert is vanzelfsprekend met even grote onzekerheden behept als de prognoses voor 2010 van een jaar geleden.

Het kan ook nul worden. Zelfs hernieuwde krimp valt niet uit te sluiten, wanneer financiële markten in een vrille mochten raken door bezorgdheid van marktpartijen over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën in landen met hoge tekorten en onrustbarend oplopende staatsschulden. Bovendien lijkt het herstel van de Amerikaanse economie te haperen.

Volgend jaar kan de economische groei echter ook versnellen, doordat consumenten in Nederland hun schroom verliezen en hun bestedingen opvoeren, terwijl ondernemers extra gaan investeren, in hervonden vertrouwen dat het allemaal wel goed komt. Gunstig voor het economische klimaat is daarbij dat de werkloosheid al een half jaar daalt. Sommige bedrijven zitten weer te springen om goede vaklui.

Het Centraal Planbureau is sinds jaar en dag open over de relatief beperkte waarde van de eigen cijfers. Daarom berekenen de medewerkers met hun modellen ook uitkomsten van onzekerheidsvarianten. De verkenning voor 2011 rapporteert varianten waarbij de economie een half procent sneller groeit, of de groei juist een procent tegenvalt. Maar het blijft koffiedik kijken.

Aan de cijfers inzake de overheidsfinanciën uit de rijksbegroting mag evenmin te veel gewicht worden toegekend. Twee jaar geleden voorzag de begroting voor 2009 in 216 miljard euro aan rijksuitgaven. In mei jongstleden maakte minister De Jager namens het kabinet de rekening op. Blijkens het financieel jaarverslag van het Rijk lagen de uitgaven het afgelopen jaar liefst 31 miljard euro hoger dan aanvankelijk was begroot.

Een groot deel van deze overschrijding is te herleiden tot de economische crisis. Steun aan financiële instellingen en meer werkloosheidsuitkeringen vormden een door niemand voorziene aderlating voor de schatkist. Maar ook bij de reguliere posten wist het kabinet zich niet te houden aan de in 2007 bij de vorige kabinetsformatie gemaakte afspraken. Toen zijn plafonds vastgelegd voor de uitgaven van het Rijk, de sociale zekerheid en de collectief gefinancierde gezondheidszorg.

Het gezamenlijke plafond voor deze collectieve uitgaven is vorig jaar met bijna een half miljard euro overschreden. Dit gebrek aan begrotingsdiscipline viel te distilleren uit bladzijde 20 van het al genoemde Financieel Jaarverslag van het Rijk 2009.

Uit de Macro Economische Verkenning 2011 (bladzijde 77) blijkt nu dat de overschrijding van het uitgavenkader in werkelijkheid niet een half miljard, maar anderhalf miljard euro bedroeg. De hoofdoorzaak ligt bij de zorguitgaven. Rekeningen van zorgaanbieders druppelen nog lang na afloop van het kalenderjaar binnen bij de zorgverzekeraars. Hierdoor duurt het lang voordat het eindbedrag vaststaat.

Maar toch. Zou zo’n fout van een miljard euro opduiken in de jaarstukken van een beursgenoteerde onderneming, dan zouden de raad van bestuur en de commissarissen met hoon overladen worden weggestuurd. De direct verantwoordelijke minister(s) en het kabinet kwamen er deze week mee weg. Sterker, de discrepantie tussen de cijfers in het als definitief bedoelde financieel jaarverslag uit mei jongstleden en de nu opgevoerde cijfers van het planbureau is kennelijk nog door niemand opgemerkt.

Al moeten de deze week bekendgemaakte cijfers over economie en overheidsfinanciën dus met het nodige voorbehoud worden gebruikt, het is tegelijk duidelijk dat zij onmisbaar zijn. Kabinet en parlement kunnen beter beschikken over een beeld van de economische ontwikkeling op basis van een gegist bestek, dan dat zij volledig in het duister tasten over de meest gerede ontwikkeling van productie, werkgelegenheid, lonen en prijzen in de nabije toekomst.

En de Comptabiliteitswet eist op goede gronden dat de volksvertegenwoordiging vooraf instemt met voorgenomen uitgaven. Daarvoor is het noodzakelijk dat het kabinet jaarlijks op Prinsjesdag een begroting aanbiedt die de Tweede Kamer naar believen kan amenderen (een bevoegdheid waarvan slechts in zeer beperkte mate gebruik wordt gemaakt).

Maar wanneer de geachte afgevaardigden elkaar komende week bij de Algemene financiële beschouwingen in de haren vliegen, kan het stellig geen kwaad dat zij de betrekkelijkheid van door hen geciteerde cijfers goed in het oog houden.