Wrak, mes en pistool als tijdsdocument

De tijd leert of voorwerpen zoals het vuurwapen waarmee Pim Fortuyn werd gedood museale waarde hebben. Maar dan moet je ze wel bewaren.

In een hoek van het depot „ergens ver weg” is het autowrak neergezet waarmee Karst T. op Koninginnedag 2009 in Apeldoorn een aanslag probeerde te plegen op de koninklijke familie. Aan het oog onttrokken door een houten krat. Het wrak staat er al een jaar. Diep weggestopt, en ook goed ingepakt, liggen in een ander depot van het Nederlands Politiemuseum in Apeldoorn het pistool en de messen waarmee in 2004 columnist en cineast Theo van Gogh is vermoord.

Eind vorige week ontstond ophef over de opgeslagen Suzuki Swift. Het bericht dat het wrak mogelijk tentoongesteld zou worden in het museum CODA (Cultuur Onder Dak Apeldoorn) wekte beroering. Bij nabestaanden van de zeven dodelijke slachtoffers – zij vonden het een „luguber” idee – en bij de burgemeester van Apeldoorn, Fred de Graaf (VVD). Wat hem betreft hoeft de auto niet te worden bewaard.

„Maar het is nooit onze intentie geweest het wrak nu al te laten zien”, lieten directeur Taco Pauka van het Nederlands Politiemuseum in Apeldoorn en directeur Carin Reinders van CODA meteen weten. „Wij proberen alleen in alle rust en discretie materialen te bewaren zodat generaties na ons kunnen beslissen wat er mee moet gebeuren”, aldus Pauka. Dat geldt ook voor de wapens waarmee Van Gogh is vermoord.

Heeft het autowrak museale waarde? Wat moeten musea bewaren? Pauka: „We weten nu nog niet of het wrak relevant is. Daar moet eerst tijd overheen gaan. Maar wij zijn ervoor om de materiële getuigenissen uit de politiegeschiedenis te verzamelen, die geschiedenis gaat tot en met gisteren.”

Ad de Jong, bijzonder hoogleraar Nederlandse cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, onderschrijft dat: „Je weet nu nog niet of het een belangrijk voorwerp is. Dat kristalliseert zich later wel uit. Maar neem het zekere voor het onzekere, en bewaar het, ook al ligt het gevoelig. Het is aan de conservator daar nuchter onder te blijven.”

Musea liggen vol objecten die te maken hebben met emotionele, vreselijke gebeurtenissen, stelt De Jong. Peter van Mensch, lector cultureel erfgoed aan de Reinwardt Academie (Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten), noemt Het National Air and Space Museum in Washington,dat Enola Gay toont, het vliegtuig dat een atoombom afwierp boven Hiroshima.

Het Rijksmuseum in Amsterdam bezit het zwaard waarmee Johan van Oldenbarnevelt is onthoofd, en de vilten hoed van de vermoorde Ernst Casimir, stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, die (in 1632) werd doorboord met een loden musketkogel. In het trappenhuis van het Prinsenhof in Delft, waar Willem van Oranje is vermoord, zitten de kogelgaten nog altijd in de muur. „Niemand die zegt: ‘Laten we die gaten dichten, we willen er niet meer aan herinnerd worden’, aldus De Jong. „Je hebt voorwerpen nodig om iets te laten zien. Geschiedenis is een serieuze zaak.”

„Vroeger werd in retrospectief verzameld. In het begin van de vorige eeuw moesten schilders eerst dood zijn en grote meesters zijn geworden voordat hun werk werd verzameld”, zegt Van Mensch. „Nu is er een nieuw bewustzijn: je moet je eigen tijd documenteren. Het is lastig te bepalen wat belangrijk is, dat weet je nog niet. Maar je moet het nu verzamelen, over één generatie kan het niet meer.”

Voor het Rijksmuseum in Amsterdam zou de auto van Karst T. niet interessant zijn, zegt directeur Wim Pijbes. Een van zijn medewerkers probeert wel het vuurwapen van Volkert van der G. te verwerven, waarmee Van der G. vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2002 politicus Pim Fortuyn doodschoot, een andere recente gebeurtenis die de Nederlandse samenleving schokte.

Pijbes vindt de politieke moord op Fortuyn „van een andere orde” dan de aanslag in Apeldoorn: „Volkert van der G. heeft de moord van tevoren bedacht – hij was bij zinnen, toerekeningsvatbaar, hij gebruikte een wapen. In Apeldoorn gaat het om een mislukte aanslag van een verwarde man, die met zijn auto op het publiek inreed. Het ene object is van waarde voor het ene museum, het andere voor het andere. Een jampot kan ook museale waarde hebben, voor een jampottenmuseum.”

Voor de messen waarmee Theo van Gogh is vermoord, heeft hij evenmin belangstelling. Het schaalmodel van het kunstwerk De Schreeuw van Jeroen Henneman, dat in Amsterdam is geplaatst ter nagedachtenis aan Van Gogh, volstaat. „Daarmee kunnen we het verhaal ook vertellen.”

Hester Dibbits, historica en etnoloog van het Meertens Instituut in Amsterdam: „Dat is de vraag waar het bij het verzamelen om draait: wat wil je met een voorwerp vertellen, wat wil je laten zien? In welk context wil je het plaatsen? Op zichzelf is die auto niks, het is oud ijzer. Het wordt pas interessant als je er een verhaal aan koppelt. En persoonlijk zie ik dat bij deze auto niet direct.”

Wat moet worden bewaard en wat niet, is een vraag die de musea erg bezighoudt, zegt Dibbits. „Juist het alledaagse kan heel bijzonder zijn, maar we kunnen niet alles bewaren. Je moet kunnen verantwoorden wat je verzamelt.”

H.J.A. Hofland schrijft morgen in het Weekblad over ‘het Suzukimuseum’