'We hebben slechte literatuur nodig'

Alain Finkielkraut trok zich een tijdje terug uit de publieke arena. In plaats daarvan verdiepte hij zich in romans. „Eerder nog dan dat ik mijn aanklagers van repliek diende, besloot ik me te verlaten op de literatuur, om beter te kunnen begrijpen wat me overkwam. We hebben literatuur nodig om ons te oriënteren in de wereld. Er zijn boeken die hele werelden denken, en er zijn boeken die waanbeelden aanmoedigen. En in de literatuur zelf bestaat er een strijd tussen verbeelding en waanbeeld”, vertelt Finkielkraut aan Bas Heijne.

‘Deelnemen aan het publieke debat staat ongeveer gelijk aan zelfmoord plegen.” Ik spreek Alain Finkielkraut op een mooie nazomerdag in zijn appartement in het zesde arrondissement van Parijs. We spreken over zijn boek Un coeur intelligent (Een intelligent hart), een verzameling scherpzinnige essays over literatuur, waarvan nu een Nederlandse vertaling is verschenen. Nadat Finkielkraut een aantal malen het middelpunt van controverse is geweest, heeft hij zich bewust een tijdje uit de publieke arena teruggetrokken, zegt hij.

„Een radiojournalist vroeg me of ik mijn ideale bibliotheek wilde samenstellen. Ik wilde al langer over literatuur gaan schrijven, maar wist niet goed hoe, de manier waarop dat in de kranten of aan de universiteiten gebeurt, beviel me niet. Praten over die romans op de radio bleek een goede oefening. Met de transcripties van die uitzendingen ben ik verder gegaan. Ik stelde mezelf de vraag: als het waar is dat we afstevenen op een postliteraire samenleving, en alles wijst erop, wat verliezen we dan? In plaats van klakkeloos de grote romans aan te roepen, besloot ik ze te gaan bestuderen, om te zien wat er in een roman gebeurt wat je elders niet kunt vinden.”

Of u nu over Camus schrijft of over Henry James, over Vasili Grossman of Joseph Conrad, voor u heeft literatuur altijd een morele betekenis. Het gaat erom je zo zuiver mogelijk te verstaan met de wereld waarin je bevindt.

„De gedachte achter dit boek is dat de grote boeken ons lezen. We hebben literatuur nodig, naast de filosofie, om ons te oriënteren in de wereld. Zoals Milan Kundera heeft gezegd, heeft de theoretische literatuurkritiek ons idee van ‘waarde’ tussen haakjes gezet. Literatuurtheorie heeft functies beschreven, vormen en structuren, maar in de waarde van literatuur was men niet geïnteresseerd, dat zag men enkel als een kwestie van smaak. In plaats van ons te voorzien van middelen om ons te verdedigen tegen het nihilisme, is men er in meegegaan. Men heeft zich laten meeslepen door de drang om alles gelijk te maken. Ik wil in boek laten zien dat een literair oordeel geen persoonlijke gril is. Er zijn boeken die hele werelden denken, en er zijn boeken die waanbeelden aanmoedigen. En in de literatuur zelf bestaat, net als in het theater, een voortdurende strijd tussen verbeelding en waanbeeld. Waanbeelden ensceneren onze verlangens, de verbeelding maakt ons juist los van onszelf.”

Leesbevorderaars en pleitbezorgers van de literatuur roepen altijd dat we ‘elkaar verhalen moeten vertellen’. Ze zien de menselijke fantasie als een louter positieve kracht. Bij u gaat het om een strijd tussen verhaal en verhaal.

„En het is een nietsontziende strijd. Zo heb ik De grap van Milan Kundera gelezen. De hoofdpersoon van die roman denkt wraak te kunnen nemen op de man die hem twintig jaar daarvoor in het ongeluk heeft gestort. Hij denkt hem te kunnen terugpakken door zijn vrouw te verleiden. Alles verloopt volgens plan, maar de tijden zijn veranderd, de man die hem eens verraden heeft, herinnert het zich niet meer en zint juist op manieren om van zijn vrouw af te komen. Zonder het te willen bewijst Ludvik, de hoofdpersoon, hem juist een dienst. Dat stemt tot nadenken. We vertellen onszelf voortdurend verhalen over ons eigen leven, verhalen waarmee de realiteit vervolgens korte metten maakt. Dat was het grote inzicht van Hannah Arendt: in tegenstelling tot wat we denken, zijn we de acteurs van ons leven, niet de auteurs. In de roman draait het vaak om precies die spanning.”

Dat is ook waar het in uw eigen, essayistische werk om draait. U verzet zich met hand en tand tegen wat u als de waanbeelden van onze tijd beschouwt.

„Zeker. Tijdens het schrijven van dit boek had ik de hele tijd een niet erg bekende novelle van Henry James in mijn achterhoofd, The Diary of a Man of Fifty uit 1879. Daarin keert een man terug naar Florence, waar hij vroeger een vrouw heeft liefgehad. Hij ontmoet daar een man die dertig jaar jonger is dan hijzelf en verliefd is op de dochter van de vrouw die hem in het ongeluk heeft gestort. Hij probeert hem te waarschuwen, zijn eigen slechte ervaringen op de jonge man over te brengen, maar die trouwt toch met haar – en is gelukkig. Dat is een prachtige omkering van waar het in romans zo vaak over gaat. Iemand verliest zijn illusies, raakt ontnuchterd en wordt volwassen. Maar zo simpel ligt het niet. Het komt ook voor dat de werkelijkheid veel rijker blijkt te zijn dan het verhaal, het waanbeeld. Daar gaat het mij om.”

Aan het einde van uw boek stelt u zich een samenleving voor waarin de literatuur geen rol meer speelt. U schrijft: ‘Don Quichot, niet dood! Maar er is geen Cervantes meer om hem op zijn plaats te zetten en zijn roemrijke zekerheden te demystificeren. De postliteraire samenleving of de wereld na de roman is misschien dit: een wereld bevolkt met Emma Bovary’s zonder Flaubert, met kinderen van Don Quichot zonder Cervantes en bezaaid met windmolens die vrolijkweg met het onreine Beest verward worden.

„Nu begeef ik me toch weer in het debat, maar dat moet dan maar. Frankrijk is ten prooi aan ideologische waan. We zijn beland in een komedie of misschien beter een tragedie van onnauwkeurigheden. Roemeense zigeuners zijn na toetreding van Roemenië in de Europese Unie massaal naar Frankrijk gekomen. Ze vinden geen werk, ze leven onder erbarmelijke omstandigheden, ze wonen in illegale kampementen. De overheid wil die kampen sluiten en de bewoners terugsturen met een vertrekpremie. Dat is een beleid waar je kritiek op kunt hebben. Maar tegenwoordig betekent kritiek dat men een pose aanneemt. De aartsbisschop van Toulouse citeert een bisschop die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen de jodenvervolging uitsprak, de president wordt vergeleken met maarschalk Philippe Pétain, de regeringsleider die tijdens de oorlog collaboreerde. Er heerst een fureur romanesque, een onstuitbare drang om de werkelijkheid tot een verhaal te maken. Men wil de spil van een tragische vertelling zijn, een mooie rol spelen. Dat is erg. Misschien is het waar wat Sartre zei: dat de wereld het heel goed zonder literatuur zou kunnen stellen. Maar zeker is dat de wereld niet zonder slechte literatuur kan! Goede literatuur helpt ons aan zulke waanbeelden te ontsnappen.’”

Is dat niet moeilijk? U schrijft vaak over de noodzaak van een Franse nationale identiteit, maar dat is juist ook waar de actiegroep ‘Touche pas a ma nation!’ (‘kom niet aan mijn land!’) zich op beroept. Die spreekt schande van het uitzettingsbeleid van Sarkozy. Wie is er nu in de ban van het juiste verhaal?

„Het gaat erom dat we de situatie zo precies mogelijk onder ogen zien. In de week dat die petitie het licht zag, opgesteld door SOS Racisme, het dagblad Liberation en het tijdschrift van Bernard-Henri Levy, verscheen er in Le Monde een stuk van Ayaan Hirsi Ali. Die actiegroep wil een fraaie rol spelen, de werkelijkheid in een bevredigend scenario inpassen. Hirsi Ali haalt het idee van een botsing der culturen van Huntington weer naar voren. Wij willen zo graag leven in een wereld die harmonieus is en multicultureel, en daarvoor moeten we alleen onze vooroordelen overwinnen. Wat zo ergerlijk is aan die niet aflatende vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog is het idee dat we geen vijanden hebben maar enkel demonen. En dat het enige wat nodig is, is dat we onze demonen en xenofobie moeten bestrijden. Dus Frankrijk moet zichzelf genezen, heet het, Frankrijk loopt het gevaar tot een bekrompen nationalisme te vervallen, Frankrijk moet zich openstellen. En dus stelt men de publieke opinie onder surveillance. Zonder dat men zich de vraag stelt of de wereld misschien niet veranderd is. Want misschien hebben we gewoon vijanden. Ik meen dat het probleem in Frankrijk en in andere Europese landen niet is dat nieuwkomers met een golf van populistische vreemdelingenhaat te maken krijgen, maar veel eerder dat de Europeanen tot hun schrik te maken krijgen met haat en geweld. Zeker, we moeten uitkijken dat we niet stigmatiseren, niet een hele gemeenschap of een hele godsdienst schuldig verklaren. Dat is de les die de 20ste eeuw ons heeft geleerd. Maar dat wil niet zeggen dat we blind de geschiedenis van de jaren dertig op de actualiteit moeten plakken.”

Bent u nu niet selectief in uw verontwaardiging? Ik onderschrijf uw afkeer van die ‘fureur romanesque’. Maar dat geldt misschien nog wel meer voor verbeten islamcritici. Bovendien kan ik u post laten zien waaruit wel degelijk een diepe haat tegen moslims spreekt. Het hele debat is doortrokken van waanbeelden.

„Dat is waar. Op dit moment maak ik geestelijk een wat moeilijke periode door. Ik vraag me af waar ik sta in mijn leven, ik weet niet goed welk project ik nu onder handen zou moeten nemen. Ik heb minder energie dan voorheen, minder zelfvertrouwen ook. Ik ben enigszins depressief. Maar, voeg ik daar meteen aan toe, zelfs al was ik energiek en zonder zorgen, dan nog zou ik aarzelen me weer in het debat te begeven. Zelfs wanneer ik op mijn tellen zou passen en me ver van generalisaties zou houden, dan nog zou ik meteen een racist genoemd worden of, wat hier als het allerergste geldt, een sarkozyste. Als je in dit land aanzien wilt verwerven, moet je de president van de Republiek beledigen. Niet kritiseren, beledigen. In zo’n klimaat doe ik er liever het zwijgen toe.”

Toch ging u eind vorig jaar uitgebreid in debat met een vooraanstaande linkse denker, de filosoof Alain Badiou. Dat liep af en toe hoog op.

„Ik was erg gespannen voor dat gesprek, had me goed voorbereid. Ik wilde laten zien dat er een andere maatschappijkritiek mogelijk is dan de progressieve, en dat zo’n kritiek niet meteen reactionair hoeft te zijn. Na een hoogoplopende woordenwisseling over nationale identiteit – Franse intellectuelen kunnen niet de minste verwijzing naar nationale identiteit verdragen – lukte het wonderwel een gemeenschappelijke taal te vinden, ondanks onze enorme meningsverschillen. Badiou is geen ami du désastre, niet iemand die zwelgt in zijn negatieve kijk op de dingen. Dat maakte voor mij een gesprek mogelijk.”

In ‘Een intelligent hart’ gebruikt u de verloren vriendschap tussen Sartre en Camus om duidelijk te maken dat een groot deel van het leven zich juist onttrekt aan het debat, aan de politiek, aan wat u de Geschiedenis noemt.

„De kwestie van het multicultarisme en de islam staan op de voorgrond. Het gaat erom hoe we samen kunnen leven. Tegenwoordig worstelt men in Frankrijk en ook in de rest van Europa met die vraag. Die crisis beïnvloedt ons dagelijks bestaan. Er is iets aan het veranderen, een nieuwe wereld tekent zich af, we hebben moeite om de problemen die dat met zich meebrengt onder ogen te zien. Wat me bijgebleven is van de verwijdering tussen Camus en Sartre is dat Camus de betovering van de geschiedenis heeft weerstaan. Ook voor hem is er de geschiedenis, maar er is ook nog iets wat zich daaraan onttrekt, hartstocht, schoonheid, de natuur. Voor Sartre is er alleen de geschiedenis, die hij terugbrengt tot een botsing van onderdrukkers en onderdrukten. Ook dat is een les die je uit de 20ste eeuw kunt trekken: we moeten ons eigen bestaan niet volledig aan de geschiedenis uitleveren. Nu gaat het erom uit te vinden of ons nog zoiets als een natuurlijke wereld rest, een wereld die niet volledig door mensen is gemaakt.”

In uw boek schrijft u over de roman ‘The Human Stain’ van Philip Roth, waarin een hoogleraar na een grappig bedoelde opmerking van racisme wordt beschuldigd. Dat doet meteen denken aan uw eigen ervaring, toen u in 2005 hetzelfde overkwam.

„Mijn opmerking in de Israëlische krant Haaretz over het Franse voetbalteam was een grapje, meer niet. Men beschuldigde me van racisme, intellectuelen ondertekenden een petitie waarin op mijn ontslag bij de zender France Culture werd aangedrongen. Ik moest onmiddellijk denken aan De grap van Kundera en aan The Human Stain. Eerder nog dan dat ik mijn aanklagers van repliek diende, besloot ik me te verlaten op de literatuur, om beter te kunnen begrijpen wat me overkwam.”

Vanaf de jaren tachtig al kritiseert u wat u beschouwt als de waanbeelden van de moderniteit. Voelt u zich moedeloos?

„Om het eenvoudig te zeggen, ik heb niet het gevoel dat de wereld zich beweegt in een door mij gewenste richting. Maar in de woorden van Hannah Arendt, het is niet de mens die de aarde bewoont, het gaat om mensen in een oneindig universum. Ik geloof in de pluriformiteit van het bestaan, dat wil zeggen, er is altijd ruimte voor het onvoorspelbare, er is altijd de mogelijkheid van een miraculeuze ontmoeting in je persoonlijke leven. Hoe pessimistisch ik verder ook ben, dát vergeet ik niet.”

Eerder in deze reeks sprak ik met de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco. Hij signaleerde een verandering in onze cultuur, aangezwengeld door technologische ontwikkelingen zoals het internet, met mooie en minder mooie aspecten. Volgens hem is er geen reden tot pessimisme.

„Zover ga ik niet. De wereld van het internet is extreem hard en grof, en dat zal zo blijven. Natuurlijk zie ik de aangename en zelfs prachtige kanten ervan ook wel. Maar dat is voor mij geen reden mijn kritiek bij te stellen of af te zwakken. Het gaat erom in mijn kritiek ruimte te laten voor het onverwachte. Ik besef heus dat je in deze wereld, die van kwaad tot erger gaat, gelukkig kunt zijn.”

U heeft zelf nooit een roman geschreven?

„Dat kan ik niet. Ik kan een roman lezen, niet schrijven. Ik ben niet in staat verhalen te bedenken. En personages ook niet. Ik kan reflecteren op situaties in romans, dat is iets anders.”

Alain Finkielkraut: Een intelligent hart. Vertaling: Frans de Haan. Uitgeverij: Contact, 334 blz. € 24,95