Wat de kannibaal en zijn gewillige slachtoffer bezielde

Cover van het boek De maagd Marino van Yves Petry

Yves Petry: De maagd Marino. De Bezige Bij, 285 blz. € 19,90

Met het uitkomen van zijn vijfde roman, ruim tien jaar na zijn debuut, geldt Yves Petry nog steeds als belofte in de Vlaamse letteren. Critici prezen zijn virtuoze schrijfstijl en in 2006 won hij de BNG Nieuwe Literatuur Prijs voor aankomende jonge schrijvers, maar tot nu toe wist hij met geen van zijn romans het publiek volledig te overdonderen. Daarvoor misten zijn romans de nodige spanning en waren zijn personages te cerebraal. Of misschien was het de schrijver zelf die achter al zijn stilistische machtsvertoon wat te weinig aanspraak maakte op het hart van de lezer.

In zijn vijfde roman De maagd Marino heeft Petry naar eigen zeggen flink bezuinigd op essayistische uitweidingen in het verhaal. Oorspronkelijk was de roman honderd pagina’s langer, maar om de vaart erin te houden heeft de auteur die weggelaten. Het is de vraag of deze keuze gelukkig is geweest, want juist in de beschouwende, filosofische passages toont Petry zijn ware kracht, terwijl plot en personages ook in De maagd Marino niet tot de sterke punten behoren.

Het verhaal begint intrigerend genoeg. Hoofdpersoon Marino bindt zijn minnaar vast aan twee metalen ringen die speciaal daarvoor in de muur zijn bevestigd. Hij doet tape op zijn mond, pakt een mes uit de keuken en snijdt de penis van zijn vriend af. Als de pijn te veel wordt snijdt hij diens keel door. Dit alles verloopt precies volgens afspraak, net de laatste handeling: uit de billen van zijn overleden minnaar snijdt Marino repen vlees, die hij zal opeten.

Na deze openingsscène, die Petry losjes baseerde op een waargebeurd kannibalistisch seksschandaal in Duitsland, gaan de daaropvolgende hoofdstukken terug in de tijd. We volgen de levens van Marino en zijn gewillige slachtoffer vóórdat zij tot hun morbide afspraak kwamen, zodat de spanningsboog van de roman zich centreert rond de vraag: wat heeft deze twee in godsnaam bezield?

Op deze vraag weet Petry niet echt een bevredigend antwoord te bieden. Het personage van Marino blijkt een volslagen karakterloos figuur, een onbeschreven blad dat inderdaad net zo maagdelijk is als de titel suggereert. Het personage van Marino’s slachtoffer, literatuur docent Bruno Klaus, blijkt de werkelijke hoofdpersoon van het verhaal te zijn. Hij is het meesterbrein achter zijn eigen gruwelijke dood. En hij is ook de vertelstem in De maagd Marino.

Na zijn dood heeft Bruno’s ziel zich in het toch al niet al te drukbezette hoofd van Marino genesteld om verhaal te doen, een literaire manoeuvre die Petry erg omstandig benadrukt. ‘Ik haast me hieraan toe te voegen dat ik degene ben, en niet Marino, die de hoogtepunten waartoe zijn stille talent hem soms voert, probeert te benaderen met deze armzalige overdrijvingen. Ik heb me inderdaad wat laten gaan. Ik ben nu eenmaal Marino niet.’ Met Bruno Klaus heeft Petry een erudiete, alwetende verteller gecreëerd die contrasteert met de nauwelijks van zichzelf bewuste Marino. Bruno is zelfs jaloers op Marino’s gedachteloosheid, die hij consequent aanduidt als diens ‘stille talent’, terwijl hij zijn eigen erudiete zelfbewustheid is gaan haten. En zo gaat De maagd Marino eigenlijk over de zelfhaat van de intellectueel, een thema dat zich op een wat ironische wijze verhoudt met Petry’s uitbundige erudiete schrijfstijl. Niet voor niets laat Petry zijn ik-persoon zich excuseren voor zijn ‘armzalige overdrijvingen’.

Evengoed valt er in De maagd Marino genoeg te genieten van Petry’s bijna overrijpe taalgebruik, dat aan de 19de-eeuwse decadente schrijvers doet denken – net als de combinatie van seksuele verkniptheid en zuiverheidsverlangen die bij Petry constant om voorrang vechten. ‘Maar wat zich in dat klankboeket wel duidelijk aftekende, was de sonore, gedragen en geheel toonvaste bariton van de priester, als een erectie van krachtig vlees en vurig bloed tussen een vuistvol verlepte margrieten, al is dat nu niet het soort vergelijking dat destijds in Marino’s hoofd zou zijn opgekomen, ziekelijk kuis als hij was.’

Als roman is De maagd Marino niet geslaagd, maar als schrijver blijft Petry toch boeien. Ik kan me voorstellen dat zijn echte vorm buiten het keurslijf van de roman ligt, bijvoorbeeld in poëtische essayistiek, ‘een vergeten ritme’, zoals de grote decadente schrijver Jules Barbey d’Aurevilly deze stijl ooit omschreef. Ik zou de honderd geschrapte pagina’s uit De maagd Marino in elk geval graag lezen.