Voskuils huwelijksleed op toneel

‘Mensenkinderen’, het enige toneelstuk dat J.J. Voskuil schreef, gaat vanavond in première.

Kan J.J. Voskuil, schrijver van onder meer Het Bureau, in het theater? Het kan en het werkt, blijkt tijdens de try out in de Haarlemse Toneelschuur van Mensenkinderen, het enige toneelstuk van Voskuil. Hij schreef het stuk begin jaren tachtig en het werd kort na zijn dood in 2008 in het tijdschrift Tirade gepubliceerd.

In Mensenkinderen heeft Voskuil alle aspecten uit zijn romans, zoals de zinloosheid van het bestaan, de voosheid van vriendschap, de lafheid in de liefde en de barbaarsheid van de bureaucratie, in even wrange als hilarische dialogen samengebald.

Actrice Else Ingeborg Smits las Mensenkinderen bij toeval en wist direct dat dit stuk gespeeld moest worden. Samen met acteur Kees Hulst vroeg zij Voskuils weduwe Lousje om toestemming voor opvoering. Die kwam, ondanks het mogelijk pijnlijk autobiografische karakter van deze tragikomedie over een bekvechtend echtpaar.

De ruziënde kinderloze echtelieden Karel en Klaartje drijven elkaar tot waanzin met hun bizarre verwijten, hun tot in het absurde doorgedreven logica, en jaloerse machtsspelletjes. „Jan Klaassen en Katrijn in een intellectueel milieu”, zo typeert Else Ingeborg Smits de verhouding. Zelf speelt zij de rol van de nogal wereldvreemde Klaartje, die als twee druppels water lijkt op Nicolien uit de romans van Voskuil. En haar echtgenoot doet de Voskuil lezer onherroepelijk denken aan de figuur van Maarten Koning, het alter ego van de schrijver.

Kees Hulst zet deze figuur meesterlijk op het toneel als de schijnbaar redelijke, zich superieur voelende echtgenoot, die intussen ten prooi is aan razernij en paniek.

Maar spreekt Mensenkinderen ook een publiek aan dat zich niet heeft laten meeslepen door Het Bureau? Of, zoals Hulst zegt: „Voskuils fans hebben zijn autobiografische oeuvre uit en te na geïnterpreteerd, ze hebben zijn liefdesleven geanalyseerd, zijn bizarre huwelijk en de haat-liefde verhouding tot zijn werk.” Maar kan de problematiek in Mensenkinderen ook niet-Voskuilkenners aanspreken, temeer omdat het duidelijk in de jaren zeventig speel? Regisseur Mette Bouhuys heeft die twijfel niet gehad. „Ik ben niet zo ingevoerd in de romans van Voskuil en vind het ongelooflijk hoe goed dit stuk in elkaar zit. Voor iemand die maar één toneelstuk heeft geschreven is dat bijna onvoorstelbaar. Alles klopt aan dit stuk, we hebben er geen letter aan veranderd, zelfs zijn regieaanwijzingen waren perfect.”

Wat Bouhuys wilde voorkomen is dat Karel en Klaartje op het toneel zouden worden gereduceerd tot typetjes; jaren zeventig figuren met rieten matten op de vloer, karikaturen met Lundiakasten en slecht zittende kleren. „Daarmee zouden we Voskuil als toneelschrijver ernstig tekort hebben gedaan.”

In Mensenkinderen geeft de schrijver veel prijs over zijn huwelijksleven, dat in zijn romans Bij Nader inzien en Het Bureau alleen zijdelings ter sprake kwam. Pas in de postuum gepubliceerde roman Binnen de huid deed Voskuil verslag van zijn mislukte poging een relatie te beginnen met de verleidelijke vrouw van zijn beste vriend – een thema dat ook in het toneelstuk doorklinkt.

In het stuk krijgen Karel en Klaartje bezoek van Karels beste vriend en zijn sexy vrouw Hester, gespeeld door Cas Enklaar en Marian Mudder. Klaartje wordt gek van jaloezie en eist van haar man dat hij de vriendschap opzegt. In werkelijkheid, zoals beschreven in Binnen de huid , is dat ook gebeurd.

Else Ingeborg Smits veronderstelt dat het huwelijk min of meer seksloos was. Zij beeldt de echtgenote uit als een vrouw die seks iets voor domme vrouwen vindt, omdat ze er zelf geen raad mee weet. „Ik zie Klaartje als een vrouw die bedelt om aandacht van haar man, die nooit aandacht voor haar heeft maar van wie ze volledig afhankelijk is. Eigenlijk is ze altijd kind gebleven. Zij wil dat alles zo blijft als vroeger, dat Karel blijft zoals hij ooit was. Jaloezie op alles en iedereen die zijn aandacht afleidt van haar is wat haar drijft.”

Een echtgenote die tegelijk je kind is – zo moet Voskuil het zelf ook hebben gevoeld. Mensenkinderen eindigt met een typisch kinderwoordje. Als Karel een verzoening voorstelt, vraagt zijn vrouw: „Waarom?” Het stuk is uit, maar het gekift kan opnieuw beginnen.

Een waardiger uitbeelding van wat Voskuil dreef als schrijver, had hij niet kunnen wensen. De geliefden kunnen niet met, maar ook niet zonder elkaar. Zij zijn tot elkaar veroordeeld, zoals we tot het leven veroordeeld zijn.