Voorbij, voorgoed voorbij

Foto’s deleten is ideaal voor wie te veel foto’s maakt. Maar gevaar is er evengoed. Heeft de zuinigheid van vroeger beter kijken opgeleverd?

Je kunt niet genoeg foto’s deleten. Zo vindt de Belgische fotografie- deskundige Johan de Vos in zijn onvolprezen boekje Nerveuze pixels. Want de digitale camera staat behalve voor gemak ook garant voor een overvloed aan beelden die het níet verdienen om bewaard te blijven. Helemaal waar, denk je al gauw als amateur-fotograaf; waarom geen schoon schip maken met wat al bijna vergeten is.

Toch valt dat deleten zwaar. Het overbodige beeld dat later ineens onmisbaar kan blijken, was vroeger nog te traceren in dozen met negatieven. Maar het deleten van nu is onomkeerbaar, een beeld is weg voor altijd.

En wie intussen verzot is geraakt op de pas verschenen bundel Opgespoorde wonderen met literaire overpeinzingen, verzuchtingen en liefdesverklaringen van Rudy Kousbroek, neergeschreven bij steeds weer een andere historische, erotische of ongewone foto, beseft pas wat voor rampen dat deleten teweeg kan brengen en wat voor verrassingen een mislukt geachte opname in petto kan hebben. Wie anders dan Kousbroek verstond de kunst om bij het staande fotoportret van een voorpootjes-wringende hamster de link te maken naar een ‘mild mannered, soft spoken’ vertegenwoordiger van The Church of England?

Kousbroeks bundel is als bewijslast in deze delete-kwestie natuurlijk volstrekt ondeugdelijk. Want de door hem verzamelde opnamen dateren uit het analoge, zwartwit-tijdperk, toen elk fotorolletje zijn prijs in afdrukken waard moest zijn. Het zou me niet verbazen als juist die zuinigheid destijds goed was voor een meer betrokken en zorgvuldige manier van kijken, gedreven door de adrenaline van het nu-of-nooit-gevoel.

De foto’s in het net verschenen boekje In opdracht moeten ook met dat nu-of-nooit gevoel tot stand zijn gekomen. Het boekje is een eerbetoon aan de net tachtig jaar geworden, voormalige Rijksmuseum-conservator Wim Vroom bij diens afscheid van het Genootschap Amstelodamum, dat kennis van en belangstelling voor de hoofdstedelijke geschiedenis bevordert. Vroom was in een andere functie zijn tijd vooruit toen hij de veelomvattende collectie van kaarten, tekeningen en prenten, in bezit van het Gemeentearchief in Amsterdam (nu Stadsarchief), via opdrachten liet uitdijen met eigentijdse fotografie – onder het motto ‘wat vandaag gebeurt is morgen geschiedenis.’

Vanaf 1975, eenmaal conservator Nederlandse Geschiedenis in het Rijksmuseum, zette Vroom de jaarlijkse, thematische opdrachten voort, later in samenwerking met deze krant.

De ruim 3.000 foto’s van 52 fotografen die het Rijksmuseum zo in bezit kreeg, zullen een breed historisch en caleidoscopisch beeld te zien geven van de recente sociale en economische geschiedenis van Amsterdam, maar ook van ver daarbuiten.

Voor het boekje In Opdracht kwamen 70 Amsterdamse opnamen van zo’n 30 fotografen in aanmerking – toen veelal jonge honden die nu tot de mastodonten in deze discipline zouden worden gerekend als dat woord recentelijk geen nare bijsmaak zou hebben opgelopen.

De eerste foto’s geven vooral het Amsterdamse straatleven in de jaren zeventig prijs. Een knusse wirwar van mensen in de Jordaan (Koen Wessing), een massaal maar beleefd wachten bij de Tolhuispont (Fridtjof Versnel), de Nieuwmarktbuurt als ruïne (Oscar van Alphen) en de effectenhandelaren op het Beursplein, telefonisch werkzaam vanuit een soort manshoge hutkoffer.

Het adagium van Carel Blazer indachtig – ‘elke goede fotograaf is een linkse fotograaf’ – was de geportretteerde Amsterdammer meestal van eenvoudige komaf, enigszins armlastig, sociaal en strijdbaar en soms wat wantrouwend jegens de fotograferende medemens. De laatste categorie laat de indruk achter dagenlang over straat te hebben geslenterd om op dat ene moment suprême te wachten waarop al die aspecten – armlastig, sociaal en strijdbaar – in één beeld samenvielen.

In de daaropvolgende jaren bleef dat geëngageerde straat- en parkgebeuren weliswaar een onuitputtelijke bron, maar het was inmiddels de linkse fotograaf wel toegestaan ook af en toe naar rechts te kijken, bijvoorbeeld naar een feestend Amsterdams Studenten Corps in Americain (Han Singels) en naar een deftige herenclub van de Vereniging Rembrandt die zich buigt over een potentiële aankoop van een doek van Bart van der Leck (Oscar van Alphen).

Hoe recent ook, toch ligt er over dit twintig, dertig, veertig jaar oude werk allang een waas van weemoed. Dat komt misschien door het ‘gedateerde’ zwartwit-beeld, door fenomenen als autoloze Amsterdamse straten en details als kastgrote computers, die vooral vertellen hoe aandoenlijk achterhaald ze zijn.

Maar ook de gemoedelijkheid van buurt en buren lijkt zeldzamer geworden, net als de ‘doe maar gewoon-’ en ‘heb je wat aan je handen’-mentaliteit waarmee arbeiders op zoveel naoorlogse foto’s in het zonnetje werden gezet.

Die wazige sfeer van ‘voorbij, voorgoed voorbij’ waar je door dit Amsterdamse boekje in terecht komt, wordt aan het slot teniet gedaan door Cary Markerink: We zien een foto uit 1986, een parkeergarage, genaamd Geinwijk, bij avondlicht, gemaakt voor de Rijksmuseum-opdracht ‘Wonen in naoorlogse wijken’. Een beeld dat net zo goed had gepast in een serie als 'Onderwereld’ of ‘Nihilisme’. Voor geen goud zou je in of bij dat Geinwijk willen wonen, een benaming die misschien wel hoopvol is, maar eigenlijk net zo bedrieglijk als de later uitgevonden ‘pracht-’ en ‘krachtwijk’. Op al die andere foto’s in dit sympathieke boekje ontbreekt nog elk spoor van kaalslag, op wat voor terrein dan ook.

Jet Baruch en Boudewijn Bakker: In opdracht. Amsterdam in foto’s. Bas Lubberhuizen, 112 blz. € 17,50.Rudy Kousbroek: Opgespoorde wonderen. De fotosyntheses verzameld. Augustus, 416 blz. € 39,90