Vinger voor vinger naar de ketchup

Hoe humoristisch Wouter Godijn zijn held ook aan zijn lot laat ontkomen en hem laat omgaan met ongeluk in dit leven, zijn roman gaat toch echt over existentiële angst. En troost biedt het boek ook niet.

Wouter Godijn: Mijn ontmoeting met God en andere avonturen. Contact, 192 blz. € 18,95

Kletsen lijkt makkelijk als Wouter Godijn het doet. In zijn derde roman Mijn ontmoeting met God en andere avonturen laat hij een niet bijzonder succesvolle schrijver aan het woord die zichzelf amper in toom kan houden. Meteen begint hij te praten over de wekker die ’s ochtends net niet van het nachtkastje is getuimeld: ‘Als dat was gebeurd, zou het echt iets voor mij zijn geweest’. Maar het is niet gebeurd, dus misschien is het toch niet iets voor mij.’ Inderdaad, hier spreekt een schrijver met humor en een bovenmodale belangstelling voor zichzelf.

Het concreetste dat hij over zichzelf te melden heeft is dat hij ms heeft, waar hij dadelijk aan toevoegt dat het slappe elastiek van zijn pyjamabroek (‘of liever – broekje, het is een zogenaamde korte broek’) misschien wel een aanverwante aandoening heeft. Zonder duidelijke aanleiding schakelt hij over op een even losjes als schitterend vertelde anekdote over twee wat oudere vrouwen, hij noemt ze A en B, die in elkaar hun grote liefde hebben gevonden. Die liefde wordt verstoord doordat er bij een van hen borstkanker wordt geconstateerd. Genezing volgt, ze trouwen, waarna dezelfde ziekte zich bij de andere geliefde openbaart (‘Ook A – jahaja! A ook! A ook! – voelt een knobbeltje in haar borst’).

Even verder zitten we aan de dinertafel waar de verteller zijn mooie vrouw, dochter (15) en zoon (6) trakteert op een lange uiteenzetting over de schoonheid van moord en het werk van Grunberg, Gustafson en Themerson. Hetgeen uiteraard detoneert met het huiselijke tafereel, dat rustig zijn eigen wetten volgt. ‘Ik zag dat Bartje zijn hand voetje voor voetje, nee, vinger voor vinger, op weg liet gaan naar de ketchupfles, waarmee hij waarschijnlijk binnen afzienbare tijd een ravage zou aanrichten. Ik besloot dit alles te negeren en verder te praten.’ De ravage met de ketchupfles vindt inderdaad plaats, net als even later een veel grotere ravage als gevolg van een spectaculaire val van de hoofdpersoon over een speelgoedautootje.

Na die scène zijn de verhoudingen in het gezin duidelijk: de held heeft niet alleen ms, hij is ook volledig in zichzelf gekeerd, driekwart depressief en een constante bron van zorg voor de andere gezinsleden. Het fijne voor de lezer is dat de verteller bij dit alles zelf bijzonder opgewekt blijft, zelfs als hij werkelijk depressief wordt en besluit een einde aan zijn leven te maken, wat op een ingewikkelde manier leidt tot de ontmoeting uit de titel (en de andere avonturen).

Het is bij een humoristisch boek als Mijn ontmoeting met God… verleidelijk om vooral oog te hebben voor de ironie en de knipogen die erin verwerkt zijn. Dominant zijn de terugkerende opmerkingen over het mogelijke autobiografische karakter van het boek: afwisselend beweert de verteller dat alles wat hij zegt waar is, dat niets waar is en dat de lezer het maar beter zelf kan verzinnen. Niet dat je heel anders zou verwachten van de auteur van De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt (longlist Librisprijs 2008). In dat boek liet Godijn kennelijke waarheid en verbeelding ook al op amper navolgbare wijze door elkaar lopen. In dat boek deden de terzijdes van ‘de auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt’ met hun gewilde ontregeling het geheel echter weinig goed.

In Mijn ontmoeting met God... zit meer evenwicht en daardoor wordt ook veel duidelijker wat Godijn in beide boeken voor ogen heeft. Steeds draait het om de rampen die mensen overkomen, hoe ze er door het leven mee worden geconfronteerd dat niet zijzelf aan de knoppen zitten, maar iets of iemand anders. Die zorgt dat ze MS krijgen, een doodsmak maken door een speelgoedauto, depressief worden. Hij vertelt over de twee lesbiennes met borstkanker om te laten zien hoe boosaardig de scenario’s zijn die voor ons worden geschreven. Het hysterische ‘Jahaja! A ook! A ook!’ dient om die wreedheid te accentueren.

Een verstandig mens legt zich bij die grillen van het noodlot neer: rampen gebeuren nu eenmaal. Godijn interesseert zich niet zoveel voor verstandige mensen, hij verdiept zich in degenen die in opstand komen tegen de wrede almacht die hun levens bestuurt en verstoort.

Daarbij gaat het niet om het literaire spel met feit en fictie, maar om existentiële ernst. De held in Mijn ontmoeting met God… doet alles om aan zijn lot te ontkomen. Door te praten en te schrijven, verder te praten als de kinderhand al naar de ketchupfles gaat. Door te bedenken hoe hij een einde aan zijn leven kan maken – zelfmoord is de ultieme manier om zijn onafhankelijkheid van de goddelijke wil te tonen. En uiteindelijk door zijn verhaal een surrealistische draai te geven en te ‘bewijzen’ dat in een roman de schrijver natuurlijk alles bepaalt en beschikt over leven en dood.

Dat werkt troostend aan het slot van Mijn ontmoeting met God en andere avonturen, maar de kracht van de roman schuilt daarin dat die troost ook weer als sneeuw voor de zon verdwijnt. Want in werkelijkheid helpt het niets. Juist doordat Godijn de macht van de fictie er zo dik bovenop legt, krijgt die de trekken van een bezwering. En hoe luider de bezwering, hoe pijnlijker de wanhoop doorklinkt. Want welke literaire overlevingsstrategieën een schrijver ook bedenkt, ieder moment kan er iets te voorschijn komen dat in je veilige huis alles kort en klein schopt en slaat.