Mooie vrouwen voor het volk

Kees van Dongen heeft zeventig jaar geschilderd, maar zijn belangrijke werk kwam in een periode van vijf jaar tot stand. Een expositie in Museum Boijmans toont alleen zijn vroege schilderijen.

Wie is Kees van Dongen? Dat is die schilder die er op exposities van vroeg twintigste eeuwse schilderkunst ook altijd is, met een of twee werken. En die springen er steevast uit door de gloeiende kleuren en sterke, vereenvoudigde vormen. Zoals onlangs op de tentoonstelling van schilderijen uit de Russische Hermitage in Amsterdam, waar Van Dongens Vrouw met Zwarte Hoed (ca. 1911) een stralend hoogtepunt was. De transparante tinten donkergroen van de jurk, de diepzwarte hoed contrasterend met het witte gezicht, de zelfverzekerde verfstreek, alles in dit werk getuigt van groot meesterschap.

Op de vraag wie Kees van Dongen was en wat hij nog meer heeft gemaakt behalve die enkele doeken, geeft de overzichtstentoonstelling in Museum Boijmans van Beuningen nu een antwoord. Hier is te zien hoe Van Dongen (Delfshaven 1877 – Monaco 1968), die op twintigjarige leeftijd naar Parijs vertrok en die niet lang daarna door critici en kunstenaars in één adem werd genoemd met Picasso en Matisse als de belangrijkste ‘Franse’ schilders, zich ontwikkelde en wat hij beoogde.

De tentoonstelling is gebaseerd op onderzoek dat Anita Hopmans, hoofdconservator moderne kunst van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, deed naar het leven van de schilder en de receptie van zijn werk. De tentoonstelling is bijzonder intrigerend. Al moet er wel bij worden gezegd dat het beeld dat hier van zijn oeuvre ontstaat niet meevalt. Merkwaardig is dat de expositie in 1927 ophoudt, hoewel Van Dongen schilderde tot zijn dood. Tussen de regels door is te lezen dat hij zich vanaf de jaren twintig niet verder heeft ontwikkeld en zich alleen nog op een obligate manier herhaalde.

Het ‘echte’, belangrijke werk van Van Dongen is, zo laat de tentoonstelling zien, in enkele jaren ontstaan, tussen ongeveer 1907 en 1912. Dit betekent dat we ruim vijftig jaar van zijn schildersbestaan kunnen negeren. Zo’n extreem geval maak je zelden mee. Hoe is dit mogelijk?

Modjesko, sopraanzanger (1907, 100 x 81 cm) is zo’n echte Van Dongen. Modjesko, een travestiet die beroemd was in het Parijse nachtleven, staat met opengesperde en rood gestifte mond te zingen. Van Dongen is totaal bezeten van kleur, het en profil portret is gedaan in grote vlakken felrood, geel, blauw, groen, roze. Om Modjesko heen schilderde hij een oranjerode schaduw die het effect heeft van een contour, of aura, een stilistische eigenaardigheid die vaak voorkomt in zijn werk. Citroengele en oranje vlekken in het gezicht suggereren, net als de oranjerode schaduw, het harde licht van schijnwerpers.

Van Dongen hield van dit kunstmatige licht dat in bijna alle portretten is te zien. Toen hij in 1908 verhuisde naar de rue Saulnier, pal naast de Folies Bergère, had hij als een van de eerste kunstenaars elektrisch licht in zijn atelier doordat hij uit de nachtclub een draadje naar zijn atelier had doorgetrokken. Kunst, zo zei hij in een interview in 1914, is geen weergave van de werkelijkheid, maar ‘iets artificieels, iets van een droom’.

Die droom vond Van Dongen in het uitgaansleven. Weliswaar schilderde hij tijdens zijn eerste jaren in Parijs postimpressionistische landschappen en ook later een aantal stadsgezichten, maar zijn echte thema was het theater, de kermis en demi-monde. Als achttienjarige jongen bezocht hij met zijn schetsblok café De Nightlamp en De Huppelkeet in Rotterdam, en tekende hij de rosse buurt met rode en groene lampen in de schemering. Van Dongen was een anarchist, zei hij, die kunst wilde maken van en voor het volk. Clowns, danseressen en acrobaten, ‘puikmenschen van kracht en lenigheid’ boeiden hem. Zoals de Hindoedanseres (ca. 1910), die, met lange armen en benen rondwentelend, als in een visioen licht en schaduw om zich heen laat draaien. En vooral fascineerden hem elegante vrouwenfiguren, gehuld in oriëntaalse kledij of strakke japonnen naar de laatste mode.

Van Dongen wilde ‘de’ vrouw mooier maken, met ‘grote ogen, ik weet niet waarom, lange wimpers, de huid satijnig of mat, en parels en briljanten’, zoals hij zei. Gevolg is wel dat ze allemaal op elkaar lijken, het zijn geen portretten, maar types. Toch leverde het prachtige schilderijen op, zoals het Portret van Adèle Besson (1909) in auberginekleurige kimono.

De doorbraak van Van Dongen kwam in 1908 met twee tentoonstellingen in de Parijse galerie van Henry Kahnweiler. Het ‘primitivisme’ van zijn schilderijen werd geroemd, dit werk was ‘on-academisch’, ‘oorspronkelijk’ en van een grote sensualiteit. Dat beviel Van Dongen goed. Hij noemde zichzelf een ‘witte neger’, hij was de Hollandse kunstenaar in Parijs die zich liet leiden door oerinstincten, een anarchist met een lange baard die zich aan geen enkele regel hield. Het imago dat hij van zichzelf schiep was bijzonder succesvol.

Al snel concentreerde Van Dongen zich meer op marketing en carrièreplanning dan op zijn schilderkunst. De feesten, gemaskerde bals en bokswedstrijden die hij organiseerde in zijn atelier en later in zijn luxueuze Parijse villa waren beroemd. Verder bestond zijn strategie vooral uit epateren en provoceren. Zo veroorzaakte het levensgrote Tableau van zijn naakte vrouw Guusje in 1913 een grote rel.

Van Dongen ging er prat op dat hij ieder jaar op de Salon een schandaal wist te creëren. Bijvoorbeeld met het Zelfportret als Neptunus (1922, 170 x 120 cm), geschilderd in de uitdossing waarmee hij op een bal verschenen was, of met een Portret van mevrouw Forester Agar in doorschijnende kleding. Van Dongen zei in 1923 dat hij reageerde op de wereld om zich heen, waarmee hij bedoelde de amusementswereld, en dat maakte zijn werk veel interessanter dan dat van kunstenaars als Cézanne die zich ‘beperkten tot modernistische composities van vorm en kleur’.

Na 1912 werd zijn werk gladder en decoratiever, maar toch leverde dit nog interessante doeken op. Zoals het vreemde schilderij Vrouw tegen witte achtergrond, van een extreem langgerekte witte vrouw in een wit boudoir, waarbij alle vormen omrand zijn door dikke okergele contouren. Of de egaal rode interieurs met rode vrouwen in rode lingerie. En het schilderij Jack Johnson is vervreemdend en zinnelijk tegelijk, het toont een grote naakte neger met een wandelstok en een vlaggetje staand voor een klein oerwoud van potplanten.

Het blijft jammer dat er niet een paar late werken op de tentoonstelling zijn te zien, zodat we ons zelf een oordeel zouden kunnen vormen over de hele oeuvre van Van Dongen. Maar het lijkt erop dat de schilder André Derain het bij het rechte eind had toen hij al in 1907 in een brief aan Matisse schreef dat Van Dongen ‘te weinig geoccupeerd was met het vinden van een eigen richting en vooral het bewaken ervan’.

Uit niets blijkt dat Van Dongen zelf ergens last van had. Integendeel, de foto’s, ook uit de laatste jaren, tonen steevast een zelfverzekerd man, nu met korte, goed onderhouden baard. Zijn clientèle vond hij voornamelijk onder de nouveaux riches van Monaco waar hij vanaf 1951 een villa had. Naar hedendaagse maatstaven zou Van Dongen van begin tot eind een bijzonder succesvol schilder zijn. Hij is het voorbeeld van cultureel ondernemerschap bij uitstek, een kunstenaar die zichzelf op de kaart wist te zetten, zichzelf als merk wist te verkopen en op geniale wijze de media wist te bespelen – precies zoals tegenwoordig steeds luider van kunstenaars wordt geëist.

Maar als beschouwer voel je teleurstelling en spijt dat Van Dongen zijn ‘eigen richting’ niet heeft bewaakt en dat de grote belofte die hij was niet is waargemaakt. De kunstenaar Van Dongen is aan het cultureel ondernemerschap ten onder gegaan.

‘De grote ogen van Kees van Dongen’, Museum Boijmans van Beuningen, Museumpark 18-20 Rotterdam. Di t/m zo 11-17 u. T/m 22 jan. Cat. € 34,95.www.boijmans.nl.