Jarenlang de verkeerde diagnose

Je moet maar durven. In Nederland, anno 2010! En het dan ook nog laten uitspreken door de koningin. „Stabiliteit en vrede worden gediend met samenwerking binnen internationale organisaties zoals de Europese Unie, de NAVO en de Verenigde Naties.”

Het is toch mijn laatste Troonrede, moet de premier hebben gedacht, ze kunnen me wat. Ik zal eens flink mijn nek uitsteken en zeggen waar het op staat. Zonder Europese, Atlantische en andere internationale samenwerking is Nederland nergens! Een land dat voor zijn inkomsten en voor zijn veiligheid zó van andere landen afhankelijk is, mag zich niet terugtrekken achter de dijken. En het moet vooral maar eens afgelopen zijn met dat kortzichtige afgeven op de Europese Unie. Haal de blauwe vlaggen met de gele sterren maar weer tevoorschijn. We kunnen verdorie niet zonder de buitenwereld!

Misschien had hij het na al die jaren van eurokramp wel zo willen zeggen, ja willen uitschreeuwen. Maar het werd uiteindelijk toch alleen maar dat ene brave zinnetje. Want je moet ook weer geen aanstoot geven, vooral niet over de Europese Unie. Iets positiefs zeggen over Europa, het blijft link in Den Haag.

Volgens de Volkskrant was het, samen met de al even gewaagde stelling dat „een harmonieuze samenleving is gebouwd op respect, verdraagzaamheid en wellevendheid”, een boodschap aan Wilders. Die zal er vast erg van geschrokken zijn, van een vertrekkend kabinet dat op de valreep nog even een vuistje maakt.

Maar het kan ook een boodschap zijn geweest aan de Nederlandse bevolking. Om dat slechtgehumeurde electoraat er nog even fijntjes op te wijzen dat een handelsland dat zijn internationale oriëntatie verwaarloost, zijn eigen graf graaft. Maar dan subtieler geformuleerd natuurlijk, want voor je het weet word je beschuldigd van bangmakerij en steekt de anti-Europese razernij de kop weer op.

Maar de Nederlandse bevolking blijkt heel wat nuchterder te zijn dan vrijwel de hele politieke klasse al jaren denkt. Nadat een meerderheid in 2005 de Europese Grondwet had afgewezen, werd het in politieke kringen opeens taboe om nog in positieve termen over de Europese integratie te spreken. En bij de laatste verkiezingscampagne was zelfs het hele buitenland achter de horizon verdwenen.

Maar wat blijkt? Driekwart van de Nederlanders is van mening dat het lidmaatschap van de Europese Unie goed is voor de economie. Driekwart! Dat is een van de opmerkelijke uitkomsten van de jaarlijkse internationale opiniepeiling Transatlantic Trends van het German Marshall Fund, die vorige week werd bekendgemaakt.

We zijn dus kennelijk toch niet helemaal gek. We mogen onze bedenkingen hebben over Europa, we herkennen ons niet goed in al dat politieke gehannes in Brussel en Straatsburg, van de ondoorzichtigheid en de onderlinge verdeeldheid worden we bokkig en moedeloos – maar we weten nog wel degelijk waar we onze welvaart aan danken en dus waar onze toekomst ligt.

Luistert er iemand in Den Haag? Een krappe meerderheid gelooft volgens dezelfde peiling ook dat de euro goed is voor de economie. Het is een wat magere 52 procent, maar toch nog een betere score dan in Duitsland en Frankrijk (45 en 33 procent). De populariteit van de Unie én van de munt blijkt vrijwel nergens zo groot als hier.

Het is alsof je opeens hoort dat je artsen vijf jaar geleden een totaal verkeerde diagnose hebben gesteld. Toen werd, na die oprisping met de Grondwet, acute euroscepsis vastgesteld. Daar werden we vervolgens niet voor behandeld, doodzwijgen was beter. De patiënt werd in feite opgegeven.

En nu blijkt het allemaal een pijnlijk misverstand. Met peilingen moet je altijd een beetje voorzichtig zijn, maar deze heeft in de loop der jaren een goede reputatie opgebouwd. En ook andere uitkomsten van het onderzoek laten weinig heel van die mythe dat de Nederlander de wereld de rug toekeert.

Nederlanders onderscheiden zich juist door hun internationale oriëntatie van hun mede-Europeanen. Dat blijkt ook uit de reacties op de sterke politieke en economische opkomst van China. Bijna tweederde van de Europeanen vindt dat China en Europa zulke verschillende waarden hebben dat samenwerking bij het oplossen van internationale problemen onmogelijk is. Maar Nederlanders zijn daar veel positiever over. Zij zien juist kansen in samenwerking met de opkomende macht in het Oosten.

Wat kan het nieuwe kabinet van deze hele geschiedenis leren? Dat je de kiezers niet moet onderschatten. Dat ze soms beter in de gaten hebben hoe de wereld in elkaar zit dan je uit hun stemgedrag kunt opmaken. Dat een waarheid als een koe (‘de EU is goed voor de economie’) uiteindelijk niet verborgen kan blijven. En dat politiek leiderschap betekent dat je zo’n waarheid benoemt: luid, duidelijk en liever niet pas bij het afscheid. We zullen zien wie durft.

Reageren kan via nrc.nl/eijsvoogel