Het vuur van de liefde jaagt de kou uit het graf

In 252 sonnet-achtige verzen, die Boskma als prille weduwnaar schreef, wil de dood de toon aangeven. Dat lukt hem niet, de bundel is ook een lofzang op de liefde en de aardse komedie, schrijft Arie van den Berg.

Pieter Boskma: Doodsbloei. Prometheus, 283 blz., € 24,95

Bij zijn overlijden in 1641 liet de Engelse dichter Ben Jonson een onvoltooid toneelstuk na, The Sad Shepherd. Onderdeel van dat stuk is ‘Karolin’s Song’, waarin de dood en de liefde paradoxaal verenigd worden. ‘Al ben ik jong en weet ik niet,’ zingt Karolin, ‘zo goed wat dood, wat liefde is, / ik heb gehoord dat beide pijlen dragen / en allebei die richten op het menslijk hart. / En evenzeer is mij verteld / dat liefde heet verwondt, en dood met kou: / zodat ik vrees dat beide slechts / extremen lijken, maar hetzelfde menen.’ Toch is er een belangrijk verschil tussen de twee, ontdekt ze een couplet later: ‘Het vuur van de liefde kan vrieskou het graf uit jagen.’

Ik weet niet of Pieter Boskma dit literaire juweeltje ooit onder ogen kreeg. Zijn nieuwe bundel, Doodsbloei, suggereert in de titel al dat hij in elk geval vertrouwd is met de paradox van Thanatos en Eros. Doodsbloei is een rouwdagboek in verzen. Ruim zeven maanden lang hield Boskma het bij: vanaf twee maanden na de dood van zijn geliefde Monique Oort, tot een stormachtig begin van catharsis in de zomermaanden van vorig jaar. De bundel omvat 252 sonnet-achtige verzen, en dat is nog maar een keuze uit de meer dan driehonderd gedichten die Boskma in zijn eerste jaar als weduwnaar schreef.

Ter geruststelling: Doodsbloei behelst meer dan een keten van weeklachten. De toon is uiteraard elegisch, maar de bundel is ook een lofzang op een levenslange liefde, die de dood overstijgt. Er is, wat je van een dagboek niet verwachten zou, een bewust gecomponeerde verhaallijn. De bundel bestaat uit drie delen met een duidelijke identiteit: ‘Einde’, ‘Terug’ en ‘Opnieuw’. De laatste afdeling sluit af met drie epilogen. Daarin bevrijdt Boskma zich ruw van de rouw, die de sfeer van Doodsbloei pagina’s lang bepaalt. Wie de wisselende toonzetting van zijn ontmoetingen met de Dood in het verloop van het rouwdagboek heeft gevolgd, begrijpt waarom het register verandert. Een terugkeer naar de aardse komedie vergt en verdraagt niet langer de taal van Gorter.

Doodsbloei is een ontroerende bundel. De tijd dat we vooral emoties eisten van de poëzie ligt achter ons, maar Pieter Boskma leerde het lierspel van Orpheus en Herman Gorter, dus tril je als lezer mee met de snaren. Zeker wanneer de dichter in zijn hallucinaties van rouw beschrijft hoe hij zijn geliefde in de duinen, waar hij haar as verstrooide in een zomerbries, ontmoet. Ze praten, en zij begint te lachen en te zingen tegelijk, en ze kussen weer als twee tieners. Op dat moment komt door een duinvallei een stokoud echtpaar hun richting uit.

En wij waren het zelf, die gekromd

onder de last van hoge ouderdom

recht op ons afkwamen, die nog jong

en onbeschaamd stonden te tongen.

Wij keken in de spiegel van de tijd,

die jou je hele leven had gespaard,

en nog steeds was je een mooie meid

ondanks wat rimpels en al grijzend haar.

De oudjes aan hun kant glimlachten teder:

‘Kijk eens hoe prachtig en gezond we waren,

en zo dichtbij nog, ondanks al die jaren.’

Wij staken alle vier de handen uit

en barsten schoten in de spiegelruit

tot hij versplinterde en wij ons sneden.

Er versplinteren nogal wat beelden in de eerste 116 pagina’s van Doodsbloei. En steeds weer duiken nieuwe beelden op, want het metaforische vermogen van Boskma lijkt onuitputtelijk. De bundel is ook een zelfrechtvaardiging van zijn dichterschap. Een hemels zingend 33-koppig koor wenst zijn geliefde vleugels ‘die ontvouwd, je op doen rijzen uit de dood. ‘Aan jou’, zingen ze Boskma toe, ‘schenken wij de taal der dichters / die je wapenen zal tegen wanhoop.’

Wanhoop overheerst in de eerste sectie, maar langzaam maar zeker groeit er inzicht dat tot verzoening zou kunnen leiden. ‘Geloven dat het echt is, en pas echt als ik het schrijf’ is zo’n inzicht. ‘En ik begreep / dat eenmaal echt begonnen liefde // pas in de dood haar hoogste bloei beleeft’, een ander. Dan volgt een eerste ontmoeting met de Dood. De dichter tracht hem uit te horen over de situatie van zijn vrouw, maar ‘Het spijt me, dat gaat jou niet aan’, antwoordt de Dood. Als de dichter aandringt, geeft hij toch een hint: ‘Dezelfde pijl bereikt hetzelfde doel.’

De dichter is nu geestelijk klaar om, in het spoor van zijn poëtische leermeester Orpheus, het Dodenrijk te betreden en zijn geliefde terug te halen. Als oude man steekt hij een brede rivier over, ontmoet haar en samen maken ze een Danteske tour van de Hal van de Tranen tot in de Dakloze Kamer.

Opmerkelijk is dat Boskma op dit spannende moment heel onverwachts het perspectief van de vertelling doorbreekt. ‘Ik’ en ‘jij’ waren tot nog toe de personages, maar nu spreekt de dichter zijn lezers aan om te melden dat hij naar de uitgang smachtte en naar ‘het vertrouwde, normale, heerlijke alledaagse leven…’ Hij is dus niet klaar voor zijn eigen verscheiden, weet ook zijn geliefde, en ze duwt hem niet door de deur naar zijn dood, maar die naar het verlies van haar – en hij staat op haar duin, midden op een zomerdag.

Hij staat er alleen voor nu. Toch spreekt ze hem nog altijd in zijn dromen en hallucinaties toe. Het verhaal lijkt verteld, maar de terugkeer naar het eigen leven vergt nog 120 pagina’s zelfreflectie. Zijn geliefde heeft daarin de tweede stem. ‘Wordt het onderhand geen tijd / dat jij je aan iets anders wijdt?’ vraagt ze. En weifelend maakt hij een nieuw begin: ‘De zon brak door, knoppen kwamen uit / en overal ritselden dieren des velds. / Een nieuwe lente en een nieuw geluid, / al kende ik ieder lied inmiddels wel.’

Na deze verwijzing naar Mei van Gorter volgt het verslag van een amourette. Die lijkt zich, zoals het begin van Mei, in het Friese Balk af te spelen. Maar het is geen werkelijkheid: ‘Ach droom in een droom in een droom, / het werd mij langzaamaan gewoon. / Al hoorde ik haar nu de trap op komen, / ook dat zou ik waarschijnlijk dromen.’

Tientallen verzen later pas, aan het slot van de sectie ‘Opnieuw’, maakt de dichter zich los van het werk waaraan hij ‘verslaafd’ was geraakt. Nadat hij op hilarische wijze de Dood voor joker heeft gezet, richt hij zich nog één keer tot zijn ‘lieve laatste lezeres’. Ga maar slapen, zegt hij haar. Droom maar over haar en mij. Droom, voor ook u gestorven bent.

Doodsbloei is een openhartig hoogtepunt in het oeuvre van Pieter Boskma. Verbeelding, lyrische durf, melancholie en erotiek zijn in dit rouwdagboek krachtig gebundeld. Na De aardse komedie (2002) is hij opnieuw in het voetspoor van Dante getreden. Geslaagder nu, en uit innerlijke noodzaak. Elke pagina van Doodsbloei straalt het uit: dit werk moest geschreven worden.