Hegemonie van westerse banken is echt voorbij

Nog domineren de westerse banken het wereldtoneel. Dat is spoedig afgelopen. Het hoofdkantoor van een grote financiële instelling moet daarom naar Azië, stelt Nicolas Véron.

De opkomende economieën zoals China, India en Brazilië worden allang erkend als bepalende factor in de wereldeconomie. Maar tot voor kort bestond het gevoel dat de financiële wereld aan deze tendens wist te ontkomen. Het overgrote deel van de financiële activa, van de financiële bedrijven, financiële centra en financiële machtsbasis bleven in de VS en Europa.

Maar sinds 2009 wegen de financiële instellingen uit de opkomende landen in de mondiale top-100 van marktkapitalisatie stelselmatig zwaarder dan die uit de VS of Europa. Sinds 2007 wordt de wereldranglijst al gedomineerd door Chinese banken. Hun relatieve positie is versterkt, terwijl die van hun westerse collega’s werd ondermijnd door onrust op de markt en afbouw van schuldposities.

Ook niet-westerse financiële centra als Hongkong en Singapore klimmen op de ranglijst. Staatsfondsen doen op de wereldmarkt hun invloed voelen. Steeds meer opkomende economieën produceren belegbare financiële activa.

Het gaat niet alleen om de getallen. Ook op een immateriëler niveau heeft de financiële crisis de superioriteit van de westerse modellen aangetast. Niet alleen iconen als Merrill Lynch of Citibank hebben in het stof gebeten. ’s Werelds invloedrijkste financiële instellingen als de Amerikaanse Federal Reserve en Securities and Exchange Commission of de Britse Financial Services Authority hebben ernstige vergissingen moeten erkennen. De Chinese, Indiase of Braziliaanse toezichthouders daarentegen, die lang als onderontwikkeld werden uitgelachen, hebben met succes binnenlandse financiële onrust weten te voorkomen en zelfs ‘macroprudentiële’ instrumenten toegepast (zoals grenzen aan loan-to-value ratio’s) die in het Westen werden veronachtzaamd. De opkomende economieën voelen geen verantwoordelijkheid voor de crisis, ook als ze er wel last van hadden. Het morele gezag van het Westen bevindt zich op een navenant dieptepunt.

Deze verschuivingen zullen onvermijdelijk van invloed zijn op de financiële regelgeving. Bazel III, het nieuwe kapitaalakkoord dat deze maand is afgekondigd, kon weleens de laatste financiële regeling zijn waarover hoofdzakelijk door de ontwikkelde landen werd onderhandeld. Vorig jaar hebben enkele belangrijke financiële instanties, waaronder het Bazel-Comité en de Financial Stability Board, het lidmaatschap verruimd. De grootste opkomende economieën werden opgenomen.

De ‘ontwestersing’ van de financiële wereld is geen automatisch of uniform proces. Aandelenwaarderingen in de opkomende economieën, vooral van staatsbanken, zijn soms opgepompt. Bepaalde opkomende spelers, waaronder China, onttrekken zich liefst aan mondiale discussies. Vaak hebben ze maar een beperkt aantal gekwalificeerde functionarissen en dat beperkt hun vermogen om mondiale invloed uit te oefenen. Het niveau van hun financiële ontwikkeling blijft vaak laag. Sommige landen staat de komende jaren misschien grote financiële instabiliteit te wachten. Zelfs hun sterkste financiële bedrijven zouden zich nog wel een tijdje tot de binnenlandse markt moeten beperken. Maar geen van deze factoren zal de algemene tendens vermoedelijk keren.

Veel westerse banken en financiële instellingen, vooral in Europa, zijn nog in de ontkenningsfase. Omgekeerd zien sommige partijen uit de opkomende landen wel hun kansen, maar niet de nieuwe verantwoordelijkheden die daarmee gepaard gaan. De snelheid van de veranderingen roept angst en wantrouwen op. Naarmate de ontwikkelde landen als gevolg van de crisis nieuwe regels opstellen, zijn ze bang dat de nieuwelingen op basis van een beperkter regelgeving (‘regulatory dumping’) oneerlijke concurrentie zullen bedrijven. Anderzijds bestaat in opkomende landen de verdenking dat de nieuwe regelgeving voor de gevestigde centra een manier is om hun concurrentiepositie af te schermen. Om deze hindernissen te overwinnen, zullen alle partijen hun uiterste best moeten doen en snel moeten leren.

Net als in andere bedrijfstakken zal de opkomst van de nieuwe spelers de westerlingen niet tot een onbeduidende rol veroordelen. Veel gevestigde financiële instellingen kunnen voortbouwen op hun bestaande vaardigheden, hun organisatorische vermogen en hun gebleken innovatiekracht, en daarmee een relatief voordeel behouden om zich met succes op wereldschaal te ontwikkelen.

Maar wel is een openhartige erkenning onder beleidsmakers nodig van de onomkeerbare verandering van het mondiale financiële landschap. Een opvallende symbolische verandering, zoals de verplaatsing van het hoofdkwartier van een van de instellingen van Bretton Woods naar Azië, zal misschien helpen de ontwikkeling van collectieve vertegenwoordigingen te versnellen.

Maar één ding is zeker: de gevestigde instellingen die zich beroepen op iets wat ze als hun erfrecht zien, zullen beslist de volgende verliezers van het mondiale financiële spel worden.

Nicolas Véron is verbonden aan de Brusselse denktank Bruegel en aan het Peterson Institute for International Economics in Washington.