Grauw Rusland in een nuchtere telegramstijl

Anatoli Gavrilov: En de zon komt op en 53 andere verhalen. Vert. Arie van der Ent. Douane, 277 blz., € 18,50

De wereld van schrijver Anatoli Gavrilov (1946) is er een van vervallen fabrieken, mijnen, armoedige huizen, rommelige dorpen uit de nadagen van de Sovjet- Unie. Alles is kapot, niemand heeft een cent te makken en iedereen probeert op zijn eigen manier te overleven en zijn weg te zoeken in het betonnen communistische labyrint waarin eenzaamheid overheerst.

De personages in Gavrilovs verhalen zijn meestal troosteloze Sovjet- burgers, wier leven in bijna alle opzichten is mislukt of vastgelopen in een modderige haven. Alleen nog uit hun dromen en vage verlangens putten ze hoop op een betere toekomst, waarin liefde, carrière, schoonheid of avontuur bestaat.

Dat onbevredigende verlangen naar het andere, betere, mooiere blijkt goed uit Gavrilovs beroemde langere verhaal ‘Op de drempel van het nieuwe leven’, over een jongen uit Slakkendorp, dat aan de rand van een industriestad ligt. Samen met zijn moeder en oudere broer leidt hij er een troosteloos leven, totdat hij het romantische plan opvat om de juristerij in te gaan. Het veroordelen van misdadigers lijkt hem het mooiste dat er is. Om van macht, respect en aanzien nog maar niet te spreken.

In de eindexamenklas maakt de jongen zich op voor het mooie Nieuwe Leven, maar zijn omgeving werkt niet mee en ook moet hij zichzelf steeds oppeppen om die grote stap te kunnen maken. Zijn drinkende vrienden uit het dorp zijn rauwe jongens en lachen hem uit, zijn moeder denkt alleen aan haar vieze kippenhok – wat vermakelijke scènes oplevert – en zijn broer heeft geen enkel vertrouwen in zijn ambities. Uiteindelijk bepaalt die omgeving het lot van de jongen en verdampt de droom in een handomdraai. ‘Op de drempel van het nieuwe leven’ is een van de 54 verhalen van Gavrilov uit de bundel En de zon komt op en 53 andere verhalen.

Gavrilovs stijl heeft vaak iets van een opsomming uit een telegram. Alinea’s bestaande uit één zin volgen elkaar op het eerste gezicht onsamenhangend op. Door die kale mededelingenstijl hebben vooral de eerste verhalen in de bundel iets van telegrammen, waarmee snel nog even een levensbericht lijkt te moeten worden doorgegeven. Soms denk je ook het onsamenhangende relaas van een psychiatrische patiënt te lezen.

Het is een stijl waar je even aan moet wennen, maar als het na een paar verhalen zover is, dring je al heel snel door tot wat Gavrilov wil zeggen. En dan zie je in al die kleine grauwe levens, die zich blijkbaar alleen nog in staccatozinnen kunnen uiten, kleine lichtjes flikkeren van hoop, die gevoed wordt door verbeelding of van een nog veel groter verdriet, waaruit geen uitweg meer bestaat. Het verlossende noodlot kan ieder ogenblik toeslaan. Een voorbeeld daarvan is het verhaal ‘Het lied van de auto’s’, waarin een vrouw vertelt over haar echtgenoot die bang is voor de alsmaar groeiende stroom auto’s die langs hun huis rijdt en op een gegeven moment ook daadwerkelijk de gevel ramt om hem te doden.

De nuchtere wijze waarop al dat leed je wordt voorgeschoteld geeft Gavrilovs verhalen stuk voor stuk een bijzondere kracht. Het is alsof je voortdurend pal naast de verteller staat, die je met zijn monotone stem oneindig veel wil mededelen, maar het vaak na een paar bladzijden al opgeeft. Om de lezer verpletterd achter te laten.