Gekieteld tot in haar merg

Mensen kunnen allerlei dingen geheimhouden en je kunt makkelijk verzinnen wat dat voor soort dingen zouden zijn: van het wegnemen van kantoorspullen op de zaak tot een buitenechtelijke relatie, wapenbezit of cocaïnegebruik. Maar geheimhouden dat je lekker eet, dat ligt niet zo voor de hand. Toch doen Karel en Cateau uit Couperus’ De boeken der kleine zielen dat.

„Zij aten heel goed, maar voor de familie wilden zij dat niet weten en zij zeiden altijd, dat zij zó eenvoudig aten dat zij nooit iemand onverwachts konden hebben. Daar zij nooit iemand inviteerden, bleef het geheim van hun lekkere tafel ongeschonden.”

Het zijn een stel diepstijve mensen, deze Karel en Cateau, welgesteld maar bepaald niet pronkerig, alles moet ‘solide en netjes’ zijn en meer niet. Alleen dat eten, dat doen ze graag, maar het is zó geheim dat ze zelfs tegenover elkaar er niet over praten. „Aan tafel, beiden, hadden zij dan tegenover elkaar een blik van verstandhouding, dat het zo lekker was – als genoten zij samen een vlijmende wellust. [...] Aan het dessert had Karel dan een vurige kleur en Cateau knipte met de ogen, als gekieteld tot in haar merg.”

Ze drinken er ook een goed glas wijn bij en na het eten gaan ze zitten ‘digireren’. Dat deden de mensen vroeger: het eten laten zakken. Niet meteen weghollen om te gaan basketballen of op de computer een ruimtevijand te verslaan, maar bij de tafel zitten met ‘de leesportefeuille’.

Erg sympathiek lijken ze niet, in hun gierige geheime genot, maar toch denk ik vaak aan ze met een zekere afgunst.

Het is nu niet goed denkbaar dat mensen er zo over zouden denken, lekker eten vinden wij eerder iets om af en toe eens over te praten. Maar Karel en Cateau vonden „dat dit genot zondig was en vooral niet-Hollands” en daarom spraken ze er nooit over.

Niet-Hollands is goed eten zeker lang geweest, en misschien is het dat voor het overgrote deel van de mensen nog steeds. De anderen kunnen misschien in het geheim dit konijn bereiden, naar een recept van Skye Gyngell, en dat dan zondag opeten. Het wint beslist bij een dagje laten staan.

Bestrooi de konijnebouten met zout en peper. Neem een braadpan en verhit daarin de olijfolie op halfhoog vuur. Braad de konijnebouten in twee porties rondom bruin en leg ze in een schaal.

Doe de saffraan en de knoflook in de pan, giet de wijn en de verjus erbij en schraap de aanbaksels goed los van de bodem. Laat de vloeistof wat inkoken en draai het vuur dan laag. Doe het konijn terug in de pan. Prik elk tomaatje in en leg het ook in de pan. Voeg de suiker en nog wat peper en zout toe en laat met een deksel op de pan anderhalf uur zachtjes stoven, op het gas of liefst in de oven (130 graden).

Snij de komkommers in de lengte doormidden en schep met een lepeltje het zaad eruit. Snij de helften nog eens doormidden en maak daar reepjes van, van een centimeter of vijf. Laat ze vijf minuten meestoven met het konijn. Scheur de basilicumblaadjes in reepjes en doe die met een klontje boter op het laatst bij het geheel. Proef op peper en zout.