Eindeloos 'hunkeren', 'verlangen' en 'verteren'

Ernst Weiß: Franziska. Vertaald door Dineke Bijlsma. Van Gennep, 272 blz. € 18,90

De uit het Tsjechische Brno afkomstige Ernst Weiß (1882- 1940) geldt sinds zijn herontdekking als een van de interessantste Duitstalige schrijvers uit de eerste helft van de vorige eeuw. De productieve schrijver-arts, leerling van Sigmund Freud, was geobsedeerd door randfiguren, criminaliteit en psychiatrie – men heeft hem wel de ‘Oostenrijkse Dostojevski’ genoemd. Nadat eerder met De ooggetuige en Jarmila twee late meesterwerken van Weiß werden vertaald, verschijnt nu een vroege roman uit 1916.

Franziska begint en eindigt met twee schitterend beschreven sterfscènes. Daartussen wordt het verhaal verteld van een jonge pianiste uit een eenvoudig milieu op het Boheemse platteland. De titelheldin leeft sinds de dood van haar ouders uitsluitend nog voor de muziek, ze stelt ‘onvoorstelbaar hoge eisen aan zichzelf’ en wordt gedreven door een ‘ijzeren wil’. Haar liefdes- en gevoelsleven komt daarentegen ernstig te kort, Franziska is ‘koud tot aan het onverbiddelijke’.

Dat verandert pas als ze in Praag de a-muzische mecanicien Erwin ontmoet, die uit hetzelfde provinciestadje komt en wiens vader eveneens zelfmoord pleegde. Beiden raken hevig verliefd op elkaar. Vanaf dat moment wordt Franziska heen en weer geslingerd tussen haar passie voor het pianospel en de liefde voor Erwin.

Lange tijd levert Franziska een hevige strijd met zichzelf – oorspronkelijk heette deze roman Der Kampf. Nu eens lijkt ze de voorkeur te geven aan de kunst, waarin ze uiterst bedreven is, dan weer aan een burgerlijk bestaan met haar vriend. Erwin kan zich echter moeilijk losmaken van een andere vrouw. Uiteindelijk komt het in een Berlijns hotel tot een beslissende ontmoeting tussen de drie.

Ernst Weiß schreef deze roman toen hij nog sterk in de ban was van het expressionisme. Dat is te merken aan de pathetische, uiterst jachtige manier van vertellen en aan de talrijke gevoelsuitbarstingen. Veel voorkomende woorden zijn ‘bezieling’ en ‘hunkering’, de personages zijn op zoek naar ‘overweldigende, hartstochtelijke gevoelens’ of worden ‘verteerd door een heftig verlangen’.

Weiß neigt naar mooischrijverij, die ten koste gaat van de precisie en van de psychologische geloofwaardigheid. Vooral de vele metaforen zijn pijnlijk. ‘Huizenrijen die op elkaar leken als weeskinderen of als blinden die in een rij werden geleid’, is geen poëtisch hoogstandje. Interessanter is deze roman als het over de personages en hun achtergrond gaat. Feitelijk zijn alle personages van Weiß eenzame en ontwortelde figuren, en in dit opzicht is hij verwant aan tijdgenoten als Joseph Roth, Hermann Ungar of Franz Kafka.

Deze vroege roman haalt niet het niveau van de eerder vertaalde late werken. Opvallend genoeg zijn zijn beste boeken nog steeds niet vertaald. Der Verführer (1938) bijvoorbeeld, de roman die Thomas Mann zo ontroerde, of het twee jaar daarvoor verschenen Der arme Verschwender, een van de grootste Duitstalige romans uit de eerste helft van de vorige eeuw. Vertaalster Dineke Bijlsma moet haar voortreffelijke werk dus maar gewoon voortzetten