Een organisch geheel

E en vriend van mij houdt ervan om zijn huis met veel zorg en aandacht in te richten: alles in zijn huiskamer is weloverwogen daar neergezet. Dit klinkt alsof het een zielloze witte kamer is met één enorme bouwlamp en zijn filosofie luidt: „Ja, met inrichten gaat het toch vooral om surfaces”, maar dat is niet zo. Het is juist een vrolijk huis, en de weloverwogen keuzes betreffen bijvoorbeeld een vogelskelet of een babyfoto van prins Charles.

Het lijkt me wel wat, zo’n huis. In mijn kamers kan ik vrij weinig ontdekken dat ergens expres en met een gedachte erachter is neergezet, op bijvoorbeeld de koelkast na. Ik zou natuurlijk kunnen zeggen: „Ja, met inrichten gaat het toch vooral om een organisch geheel”, maar de waarheid is uiteraard dat ik een sloddervos ben en mijn spullen om miraculeuze redenen ’s nachts pootjes krijgen. Daarbij zit er geen enkele cohesie in mijn interieur: ik vind spullen het leukst als ze een sympathieke uitstraling hebben, dus dat kan zowel een telefoon in de vorm van een hamburger zijn als een versleten theedoek die ik van mijn ouderlijk huis heb meegenomen toen ik op mezelf ging wonen.

Om inspiratie op te doen voor een interieur waar iets meer over nagedacht is bezoek ik ‘Inside Design’, een initiatief van ELLE Wonen. In verschillende kamers van het Lloyd Hotel in Amsterdam en op een aantal andere plekken in de stad tonen ontwerpers hun werk. In een grote loods in het Cruquiuskwartier zie ik dingen die ik meteen wil hebben (de liefdesbaby van een Perzisch tapijt en een berenvel: een Perzisch tapijt in berenmodel met berenhoofd), of een knaloranje hot tub die verwarmd wordt door een eigengestookt houtvuurtje. Ook is hier een gedeelte van de H&M Wonen- collectie te zien, die binnenkort een grote winkel op de Dam zal openen. Het lijken vooral veel kussens, met bloempatroon of kleine fluwelen poefjes, die ergens aan een tuttig Engels pension doen denken.

In het Lloyd Hotel bekijk ik ook de ontwerpen van de ELLE Wonen Award finalisten, drie bijzettafels. Wout Speyers vertelt over zijn simpele en chique ontwerp: „Als je naar een huiskamer kijkt let je eigenlijk eerst op alle andere dingen, de boekenkast, de tafel”, zegt hij. „Het bijzettafeltje staat onderaan. Het is heel dienend. Veel bijzettafels vertellen ook een grap: een kabouter met een hand omhoog, of een zwijn met een schaal op zijn hoofd. Maar als je voor de zoveelste keer je trap afkomt, wil je niet weer dezelfde grap horen. Mijn tafeltje is tijdloos.” „Dus eigenlijk wilde je je inzetten voor het bijzettafeltje”, zeg ik. „Om hem hogerop te laten klimmen in de meubelhiërarchie.” Hij knikt. „En bij dit ontwerp hoort een hele familie.”

Een bijzettafeltje dat er mag zijn, met ook nog een eigen familie: dit is het sympathiekste tafeltje wat ik ken. Ik wou dat ik hem mee naar huis kon smokkelen.

Renske de greef