Eén letter verschil

Het nieuws over de schilderijenvervalsing in Duitsland veroorzaakte in huize Abrahams een aha-erlebnis van niet geringe betekenis. Liefst 2,9 miljoen euro was in Duitsland betaald voor Rotes Bild mit Pferden, dat niet gemaakt bleek door Heinrich Campendonk, maar door bedriegers.

Het toeval wilde dat ook wij net een schilderij hadden gekocht, weliswaar niet voor een vergelijkbare prijs – zóveel verdien ik met deze column nog steeds niet – maar dat doet er niet toe. Het gaat om de niet te verdragen mogelijkheid dat ook jij slachtoffer bent geworden van zo’n laaghartige vervalser, die nu ergens grijnzend een pilsje drinkt op jouw kosten.

In ons geval zou hij er ook nog een etentje van hebben kunnen betalen, maar daarmee hield het gelukkig wel op. Wij betaalden, om precies te zijn, 145 euro voor een olieverfje, dat we in de etalage van een kleine, nogal onbestemde kunsthandel zagen staan. Het was een impressionistisch portret van een klein, lief, maar niet sentimenteel-lief, meisje.

Mijn vrouw keek verrast naar de prijs. „Dat is toch niks voor zo’n aardig schilderijtje?’’

Als ik iets van 145 euro wil kopen, hoor ik zelden het woord ‘niks’ uit haar mond, maar ik begreep wat ze bedoelde. Aardige schilderijtjes maken ook mijn knieën te snel te slap.

Ik begon het kaartje te lezen dat aan het schilderij bevestigd was. Het zou van de mij onbekende schilder Hendrik Jan Wesseling zijn, een Haarlemse schilder die van 1881 tot 1950 leefde en die in zijn woonplaats een reputatie verwierf met zijn portretten, stillevens en landschappen; ook het Frans Halsmuseum bezat werk van hem. De kunsthandelaar vertelde dat hij het schilderij bij een Haagse antiquair had gekocht. Het zou een portret zijn van een dochtertje van Wesseling. Was het gesigneerd? Ja, op de achterzijde van de lijst stond een goed leesbare handtekening.

Thuis zocht ik het een en ander over Wesseling op. Het leek allemaal te kloppen, inclusief de handtekening. We gingen terug naar de handelaar en kochten het schilderij. De lijst was lelijk en verweerd en het portret was gevat in een passe-partout van karton die ook zijn beste tijd had gehad.

Hier was werk aan de winkel voor onze vertrouwde lijstenmaker. Die ontmantelde het hele zaakje snel en liet ons op de achterkant van de oude passe-partout nog een tweede handtekening zien. Hij zaagde dat stukje karton-met-signering eruit en gaf het ons mee. Het schilderij zelf hield hij om er een nieuwe lijst voor te vervaardigen.

Thuis keek mijn vrouw ’s avonds nog even naar de signering op het karton. „Hé’’, zei ze, „hier staat H.J. Weseling, niet H.J. Wesseling.’’ Ik keek ook. Verdomd, nooit eerder in mijn leven had ik één ‘s’ zo gemist. Die ene ‘s’ in Weseling stond er zo ontzettend eenzaam, zeg maar rustig als een wees, bij. Achter op de lijst had het immers wel goed gestaan: Wesseling, in een verder identiek handschrift.

Wat was hier aan de hand? Had Wesseling destijds door iemand anders een passe-partout laten maken en had die persoon per ongeluk die ene ‘s’ weggelaten? Of was hier gewoon sprake van bedrog?

De volgende dag lazen we in de krant over de schilderijenzwendel in Duitsland. Toen wist ik weer waarom het toch beter was dat ik nooit miljoenen had bezeten.