Een en al zwartgalligheid in de Nederlandse galeries

Claire Harvey, 'When What Was When', 2010. Foto Gert Jan van Rooij

‘Sinds ik in Nederland woon, is de kleur uit mijn werk verdwenen”, vertelde de Surinaamse kunstenaar Neil Fortune mij laatst. Het was hem opgevallen dat veel kunst in Nederland zo zwart-wit en zo grijs was. Of het nu lag aan een gebrek aan zonlicht, of aan een algeheel somber gevoel over de economische en politieke ontwikkelingen, kon hij niet zeggen. Maar opvallend was het wel, vond hij, dat zijn palet zich zo snel had aangepast.

En inderdaad, zodra je erop gaat letten, valt op hoe kleurloos veel actuele kunst is. Bij een willekeurig rondje door de Amsterdamse Jordaan stap je de ene na de andere galerie binnen waar zwart en wit de enige aanwezige tinten zijn.

Neem de tentoonstelling A History of Violence in Torch Gallery: één en al zwartgalligheid. Er hangt een serie uitvergrote zwart-witfoto’s van Hans van Houwelingen, waarbij de kunstenaar zichzelf gefotoshopt heeft in het ontplofte landschap van Nagasaki en Hiroshima. Als een toerist poseert de kunstenaar naast een meisje dat lachend uit een schuilkelder kruipt. Hij kijkt toe hoe lijken op elkaar gestapeld worden, of loopt langs een stel gruwelijk verbrande kinderen. Schrijnende beelden zijn het, maar ze stemmen wel tot nadenken. Want mag een kunstenaar dergelijke historische foto’s wel manipuleren? En hoe ‘waarachtig’ waren de originele beelden eigenlijk?

Daarbij vergeleken zijn de cynische inkttekeningen van Jonas Staal, die ook in Torch getoond worden, nogal plat. Ook Staals werken, gevat in zwarte passe-partouts, zijn kleurloos. Ze bestaan uit simpele silhouetjes van mensfiguren tegen een witte achtergrond, met daaronder een verklarende tekst: ‘Emancipatie’ bij een orgiescène bijvoorbeeld, of ‘Spaar ze allemaal’ bij een kruipende man met Hollandse vlaggetjes uit zijn kontgat. De maatschappijkritiek is goedbedoeld, maar leidt hier tot smakeloze kunstwerken.

Op een steenworp afstand, in de Annet Gelink Gallery, herdenkt kunstenaar Carlos Amorales de aardbeving in Mexico City in 1985. Ook hier veel grofkorrelige krantenfoto’s van dood en destructie, maar Amorales slaagt er wel degelijk in de ramp in schoonheid om te zetten. Op de muren van de galerie maakte hij de mooiste patronen, met behulp van een soort grillige stalen reuzenpassers – hoekig als de breuklijnen in de verwoeste huizen die Amorales als vijftienjarige jongen zag.

Ook de droomwereld die Claire Harvey bij Galerie Fons Welters heeft geschapen is volledig uit grijstinten opgebouwd. Haar middelen zijn minimaal, namelijk vier overheadprojectoren en wat volgetekende glasplaatjes, maar het theatrale effect is verbijsterend. Het is alsof je over een filmset loopt, met figuren die levensgroot geprojecteerd worden op de wanden, op schilderijen en op rollen papier. Wat echt is en wat geschilderd, is soms maar moeilijk te zeggen. En dan is er nog je eigen schaduw, die als een spookverschijning tussen de figuren door schuifelt.

Amorales en Harvey zijn beiden elders geboren, maar studeerden aan de Amsterdamse Rijksakademie. Zou het toeval zijn, zo kun je je afvragen, dat hun werk sindsdien bedekt gaat onder een Hollandse grauwsluier?