Een beetje eng, maar niet per se gevaarlijk

Voor het eerst is onderzocht hoeveel streng gelovige moslims er in Nederland zijn. En wat ze denken. De meesten zullen nooit geweld gebruiken, zo blijkt.

We hoeven niet bang voor haar te zijn. Ze draagt weliswaar een hoofddoek die ten minste tot op de heup valt in een neutrale, donkere kleur. Haar kleding moet het hele lichaam bedekken, mag niet erg mooi zijn of extravagant, niet doorzichtig, moet wijd zijn en ongeparfumeerd. De kleding mag niet chic zijn en niet lijken op die van ongelovige vrouwen.

Zie hier de orthodoxe moslimvrouw. Orthodoxe moslimmannen laten vaak een baard staan en dragen broeken tot boven de enkels. Soms ook islamitische kleding (uit Soedan of Afghanistan). De kleding symboliseert toewijding aan het geloof.

Misschien vinden niet-moslims en gematigde moslims deze salafisten vervreemdend of zelfs eng. Extremisten zijn het bijna nooit. Dat blijkt uit het rapport Salafisme in Nederland. Aard, omvang en dreiging van onderzoekers Ineke Roex, Sjef van Stiphout en Jean Tillie, dat vandaag verschijnt. Zij zijn verbonden aan het Instituut voor Migratie en Etnische Studies en de afdeling politicologie van de Universiteit van Amsterdam.

Zijn deze mensen een gevaar voor de democratie, was de onderzoeksvraag. PVV-leider Wilders waarschuwt constant voor de islamisering van de samenleving en hij heeft veel aanhang. Die angst richt zich vooral op orthodoxe moslims. Roex, Stiphout en Tillie doken tweeënhalf jaar in de wereld van de (orthodoxe) islam in Nederland. Dat deden ze niet alleen vanachter hun bureau. Antropologe Ineke Roex ging ook de straat op. Ze bezocht verenigingen en moskeeën, luisterde naar preken, sprak met predikers en aanhangers. De conclusie: orthodoxe moslims zijn geen extremisten.

Onderzoeker Jean Tillie: „Het standpunt dat de islam een politieke ideologie is die tot geweld leidt, zoals onder meer Wilders zegt, is onzin.”

Voor het eerst ook zijn er cijfers. Het aantal streng orthodoxe moslims in Nederland schatten de onderzoekers op 8 procent. Voor de Turkse moslims is dat percentage 5 procent, voor de Marokkaanse moslims 12 procent. Een grote meerderheid van de ongeveer 900.000 Nederlandse moslims is niet streng orthodox.

Salafisten streven ernaar zoveel mogelijk te leven als de profeet Mohammed en zijn eerste volgelingen. De Koran en de soenna (de overlevering van de uitspraken en handelingen van Mohammed) worden letterlijk genomen en gelovigen moeten zoveel mogelijk volgens die regels te leven.

Het blijft een feit dat de streng orthodoxen opvattingen hebben die de integratie belemmeren (mannen geven vrouwen geen hand, ze vinden een theocratie beter dan een democratie en het is verboden zich in ruimten te begeven waar mannen en vrouwen samen zijn). „Deze opvattingen vormen echter op zichzelf geen bedreiging voor de democratische rechtstaat en zijn te vergelijken met de staatsopvatting van de SGP”, stellen de onderzoekers.

Oudere Marokkaanse mannen, ontdekten de onderzoekers, zijn het meest orthodox. Die houden vast aan hun streng religieuze denkbeelden. Ze zijn vaak slecht opgeleid en werkloos. Ze vinden geweld misschien een middel om de religieuze idealen te verwezenlijken, maar zullen het zelf nooit gebruiken. Slechts een verwaarloosbaar aantal van de salafisten gelooft in het gebruik van geweld.

Het rapport leest als een schildering van het salafistisch landschap met de belangrijkste bolwerken en spelers, geconcentreerd in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Tilburg en Eindhoven. Het is het eerste brede en gedetailleerde onderzoek naar deze minderheid. De salafistische organisaties, schrijven de onderzoekers, zijn door de grote sociale controle eerder een religieuze buffer tegen extremisme dan een katalysator van politiek activisme.

Dat was anders vlak na 11 september 2001. Salafistische centra leken toen broedplaatsen van extremisme en terrorisme. De Al-Fourkaan moskee in Eindhoven speelde een hoofdrol in een strafzaak tegen een netwerk dat jongeren zou rekruteren voor de gewelddadige jihad – die zaak eindigde overigens in vrijspraak voor alle verdachten. Centra in Amsterdam en Den Haag kwamen in het nieuws door controversiële uitspraken van imams als Mahmoud Sherhaby en Fawaz Jneid.

Daarna werden salafistische imams onder druk gezet hun toon te matigen. De AIVD liet duidelijk merken hen in de gaten te houden: radicale imams zonder Nederlands paspoort werden uitgezet. Gebeurtenissen als de moord op Theo van Gogh of de anti-islamfilm Fitna van Geert Wilders dwongen voorgangers bovendien om hun eigen positie scherp te markeren. Zo nam Fawaz Jneid openlijk afstand van Al-Qaeda en de gewelddadige jihad. De AIVD constateerde vorig jaar dat de salafistische centra geen bron meer zijn van terrorisme.

Hoe zit het met extremistische jongeren buiten die centra? De Hofstadgroep kwam gewoon in een huiskamer bijeen. Op dit soort bijeenkomsten werden plannen beraamd om de Nederlandse democratie en rechtsstaat te ondermijnen. In het rapport komen ze niet aan de orde – daar schuif je als onderzoeker ook niet zomaar bij aan – maar volgens de AIVD is de dreiging van deze groepjes inmiddels sterk afgenomen.

Het rapport biedt een inkijkje in een onbekende wereld. Buitenstaanders zien de orthodoxe moslims als één groep. De onderzoekers beschrijven de grote onderlinge verschillen in geloofsbeleving en het dagelijks leven. Bijvoorbeeld als het gaat om het naleven van die regels en de compromissen die salafisten zichzelf toestaan. Zo moeten mannen en vrouwen afstand tot elkaar houden, tenzij ze familie zijn. Sommige salafisten stellen dat een (ongetrouwde) man en vrouw moeten vermijden om samen in één ruimte te zijn. Anderen vinden dat het dragen van de correcte kleding voldoende afstand schept. Weer anderen vinden dat ze niet kunnen werken of een opleiding volgen tussen mensen van het andere geslacht. De onderlinge discussie over wat wel en niet mag volgens de regels van de orthodoxe islam is eindeloos. Orthodoxe moslims nemen elkaar voortdurend de maat, schrijven de onderzoekers.

Gemeenschappelijk hebben de salafisten hun bekeringsdrang. Ze richten zich in eerste instantie op de grote groep minder orthodoxe moslims. Maar ze richten zich met hun ‘nobele’ en verplichte taak ook wel op christenen en atheïsten.