De overtreffende trap

In vele uithoeken zocht Frank Westerman naar aspecten van het lange, curieuze verleden van de ‘adellijke’ lipizzaner. Darwin, nazi’s, Stalin, WO I en II . Welke visie volgt daaruit, vraagt Arnold Heumakers zich af?

Frank Westerman: Dier, bovendier. Atlas. 285 blz. € 19,95

Wat zijn lipizzaners? Voordat ik het nieuwe boek van Frank Westerman las, had ik geen idee. Mijn kennis van het paard kent zijn beperkingen. Uit Dier, bovendier begrijp ik hoe dom mijn onwetendheid is, want het gaat om de wereldberoemde witte paarden van de Habsburgers, die sinds 1580 worden gefokt in een stoeterij te Lipica (Slovenië) en nadien ook op allerlei andere plaatsen. De Spaanse Hofrijschool in Wenen is nog altijd hun thuis. Daar treden ze geregeld op voor het publiek en vertonen dan verbluffende staaltjes van dressuur. Aan deze paarden blijkt een heel verhaal vast te zitten en dat verhaal wordt door Westerman in zijn boek verteld. Raak je zo’n lipizzaner aan, dan ‘raak je geschiedenis aan’, krijgt hij als jongen van een bevriende rijschoolhouder te horen. Het blijken geen loze woorden te zijn. Via de lotgevallen van de lipizzaners komen WO I en WO II voorbij, evenals de Balkanoorlog. Keer op keer wordt eindeloos gesleept en gezeuld met de paarden, voor zover ze niet ten prooi vallen aan kogels en granaten. Iedereen blijkt ze te willen hebben, om er een eigen stoeterij mee te beginnen of een eigen fokprogramma, maar ook om ze te slachten en op te eten. Door de nazi’s worden ze overgenomen, door de Amerikanen worden ze bevrijd uit handen van de Russen – Disney zou er in 1963 nog een film (Miracle of the White Stallions) over maken, zij het met de verkeerde Duitse officier als redder in de hoofdrol.

Westerman doet het allemaal met verve uit de doeken. Het is duidelijk dat hij deze lipizzaners niet als gewone paarden beschouwt. De lipizzaner, lezen we, is ‘de overtreffende trap van het paard’, edeler vind je ze niet; het is vooral hun ‘adellijkheid’ die Westerman aanspreekt. Ze zijn bijna als mensen, maar als de nazitijd ter sprake komt, valt ook het woord Übertier.

Een van de oefeningen die lipizzaners volmaakt beheersen, is het zich steigerend verheffen op twee benen, al dan niet met een triomferende veldheer op de rug. Westerman schrijft: ‘Zo’n superieure hengst in een beheerste levade was de vleesgeworden beschaving – het summum van wat de menselijke cultuur wist voort te brengen’.

Ik zou nog wel wat andere summa kunnen bedenken, maar dat een paard hier het summum van de menselijke cultuur wordt genoemd, is geen toeval. Het gaat immers om gefokte paarden, de geslaagde producten van eeuwenlange rasveredeling. Ook dit aspect van het verhaal krijgt in Dier, bovendier alle aandacht. Westerman komt te spreken over de eugenetica, over de erfelijkheidsleer van Mendel en over de vaak bizarre discussies die daardoor lang na Mendels dood werden uitgelokt.

Hoewel hij geen directe bemoeienis met de lipizzaners had, wordt bladzijden lang uitgeweid over Stalins officiële bioloog Lyssenko, die tegen Mendel en Darwin een nieuwe versie van het Lamarckisme (de theorie dat ook aangeleerde eigenschappen erfelijk kunnen zijn) verdedigde. Het bredere debat dat zich in deze kwestie aandient, gaat over de vraag of het leven nu vooral een zaak is van nature of van nurture.

Zoals men ziet: er wordt veel opgehangen aan het lot van deze bijzondere paarden, misschien wel wat te veel. Daar staat tegenover dat Westerman het niemand erg moeilijk maakt. Hij is er kennelijk vanuit gegaan dat zijn lezers van niets weten. Wat betreft de lipizzaners had hij, althans in mijn geval, groot gelijk. Andere dingen die ik wél weet, blijken weer nieuw te zijn voor hem, getuige zijn verbazing over de Duitse naam (Laibach) van de Sloveense hoofdstad Ljubljana of over de betekenis van de afkorting ‘K.u.K.’ (Kaiserlich und Königlich) – alleen iemand die nog nooit een bladzijde Musil of iets over de geschiedenis van Oostenrijk en de Balkan heeft gelezen, kan deze verbazing delen.

Misschien is Westerman alleen maar eerlijk. Hij is geen specialist die zich al een half leven aan het onderwerp heeft gewijd, en hij doet ook niet alsof. Voor dit boek lijkt hij from scratch te zijn begonnen. De lezer mag alle stappen van zijn speurtocht van nabij volgen: het archiefbezoek, de contacten met kenners en ooggetuigen, de reizen naar Wenen, Lipica en Hostau (de plaats in het voormalige Sudetenland, waar de lipizzaners tijdens het Derde Rijk werden geconcentreerd). Het relaas wordt er levendig door, menselijk, we krijgen niet alleen het resultaat van het onderzoek gepresenteerd, maar ook de manier waarop het tot stand is gekomen.

Westerman is dan op zijn best, bijvoorbeeld in de beschrijving van een excursie naar Lipica, in het gezelschap van een groep oudere Oostenrijkers vol nostalgie naar de vergane glorie van de Donau-monarchie. Ronduit schitterend is de eerste ontmoeting van deze Oostenrijkse paardengekken met de aanstormende lipizzaners, waarbij twee dames de vlak voor hen tot stilstand gekomen schimmels beginnen ‘te bekloppen als prijsdieren, met handtasje en al’.

De aandacht voor het karakteristieke, maar inhoudelijk niet per se noodzakelijke detail (‘Het klikklakken van de hooggehakte laarzen van Inez Hubinger echode over de binnenplaats van het klooster’) typeert het populaire genre van de ‘literaire non-fictie’, waarvan Westerman in ons land als een van de betere beoefenaars bekendstaat. Het literaire zit, als het goed is, in de stijl en de vertelkunst, en daarover hoeven we ons bij Westerman inderdaad niet te beklagen. Maar het zit ook in de min of meer autobiografische aanpak. Na een ‘proloog’ waarin Westerman de herinneringen reconstrueert van het zoontje van een Duitser die zich in het laatste oorlogsjaar om de lipizzaners had bekommerd, begint Dier, bovendier met zijn eigen jeugdige kennismaking met de wereld van het paard. Even lijken we verdwaald in een jongensboek, maar daarna komen al snel die andere, meer abstracte thema’s aan bod, van eugenetica tot de nature-nurture tegenstelling. Ook daarbij grijpt Westerman soms terug op zijn eigen verleden, wanneer hij in plaats van zelf een betoog te houden een vroegere leraar of docent aan het woord laat, die de dingen keurig uitlegt. Zelf schaart de auteur zich, bij wijze van spreken, onder de toehoorders. Met als listig gevolg dat niemand, hoe onwetend ook, zich geïntimideerd hoeft te voelen.

Het nadeel is alleen dat zo’n bescheiden, ja ‘democratische’ aanpak nergens leidt tot een indrukwekkende eigen visie, terwijl Westermans uitdrukkelijk verwoorde ambitie zoiets wél in het vooruitzicht stelt. Naar eigen zeggen hoopt hij ‘via de menselijke bemoeienis met het paard [...] meer inzicht te krijgen in de eigenaardigheden van onze eigen soort’. Meer dan eens werpt hij de boeiende vraag op waarom alle pogingen van de mens om zijn eigen soort langs eugenetische weg te veredelen, anders dan bij dieren of planten, steeds op rampspoed en ellende zijn uitgelopen. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is de nationaal-socialistische rassenpolitiek, waaraan Westerman in zijn boek de nodige aandacht besteedt, zonder er iets nieuws over te melden. En ook zijn vraag naar de ‘ethische grenzen van de rasveredeling’ is niet van belang ontbloot. Helaas verhindert de gekozen aanpak dat er interessante antwoorden komen.

Over deze kwesties hebben al veel grote geesten zich uitgelaten en het heeft niet veel zin zelf een balletje op te werpen, zonder die andere opvattingen, in elk geval de meest invloedrijke, ter sprake te brengen en in het eigen antwoord te verwerken. Het verhaal zou dus even moeten plaatsmaken voor een grondige analyse. Maar dat heeft Westerman blijkbaar willen voorkomen – uit angst dat de lezers hem dan de rug zouden toekeren? Hij beperkt zich tot het stellen van de vragen en hij stipt hooguit een paar aspecten van de problematiek aan: een alinea of wat over genetische manipulatie, een korte passage over klonen, Peter Sloterdijk en zijn ‘Regels voor het mensenpark’ worden even genoemd. Het is niet zo dat Westerman van mij omstandig op dit alles had hoeven in te gaan, want zoveel heeft het niet te maken met de lotgevallen van de lipizzaners, maar nu wekt hij verwachtingen die niet worden ingelost.

Of hij komt met een dooddoener, zoals de terloopse opmerking over het ‘tegennatuurlijk handelen’ van de homo sapiens (behoren de mens en diens handelen dan niet tot de natuur?) of de aan een ‘project’ op de middelbare school ontleende visie op ‘geestdrift’ die in ‘razernij’ kan omslaan, met ‘genocide’ tot gevolg – alsof de massamoorden van de 20ste eeuw met zo’n simplistisch motief ook maar bij benadering te vatten zouden zijn. Kortom, het ontbreekt dit boek aan intellectuele diepgang. Gelukkig wordt dat voor een aanzienlijk deel goedgemaakt door de kwaliteit van de vertelling. Op het eind zorgt die ook nog voor een verrassing.

We schrijven 2007 en Westerman reist af naar het Kroatische Lipik, waar in tegenwoordigheid van een Kroatische popster zal worden gevierd dat de tijdens de oorlog met Servië uit Lipik geroofde lipizzaners weer in hun thuishaven zijn teruggekeerd. Tijdens de lunch slaan de aanwezige Kroaten zich uit nationale trots op de borst: die thuiskomst hebben zij toch maar mooi voor elkaar gekregen. Wat blijkt echter? In werkelijkheid zijn de paarden nooit geroofd, ze zijn door de Servische stalmeester geëvacueerd voor het oorlogsgeweld en hij is het ook geweest die internationaal aan de bel heeft getrokken, toen ze in Servië van de honger dreigden om te komen.

Deze ontmaskering van een nationalistische mythe in statu nascendi is een mooi voorbeeld van wat Westermans literaire non-fictie wél vermag. En daarnaast blijft Dier, bovendier een onderhoudend relaas, waarin uitentreuren bestudeerde en behandelde onderwerpen als WO I en WO II nu eens op een volstrekt andere en dus originele manier worden benaderd.