Charmante mannen en snelle auto's

Historicus Keith Jeffery kreeg als eerste toegang tot de archieven van de Britse geheime dienst MI6.

Zijn boek staat vol met smeuïge anekdotes en genante momenten.

Een license to kill was er niet, maar verder leek het leven van Britse geheimagenten in de jaren voor de Koude Oorlog veel op dat van Ian Flemings personage James Bond. Het waren mannen die konden charmeren, die via het bed geheimen wisten te ontfutselen en van snelle auto’s hielden. Er waren mooie vrouwelijke dubbelspionnen, overlopers en natuurlijk technische snufjes, waaronder zichzelf vernietigende archiefkasten.

„De echte James Bonds zijn veel interessanter dan de fictieve James Bond”, meent historicus Keith Jeffery. Hij kreeg als eerste, en tot nu toe als enige, toegang tot de archieven van de Secret Intelligence Service, de Britse buitenlandse inlichtingendienst. Zijn boek MI6, The History of The Secret Intelligence Service 1909-1949 verscheen deze week.

MI6 is een van de weinige overheidsinstanties die de archieven niet afdragen aan het nationale archief. Tot 1994 werd het bestaan van de geheime dienst zelfs ontkend. Nog steeds zijn er maar weinig details bekend over hoeveel mensen er werken, of over de hoogte van het budget. Maar voor het honderdjarig bestaan vorig jaar besloot de dienst zelf tot officiële geschiedschrijving.

Onderzoek in de archieven leek volgens Jeffery dan ook op het zoeken naar „de Heilige Graal”. Hij mocht alle documenten tot 1949 inzien en kreeg slechts één beperking opgelegd: de namen van spionnen mochten niet worden vermeld om hun veiligheid en die van hun familie niet in gevaar te brengen. Alleen agenten die zichzelf al hadden bekendgemaakt of bekende Britten zoals de schrijvers W. Somerset Maugham en Graham Greene – van wie al werd vermoed dat ze in dienst waren van MI6 – worden met naam genoemd.

Veel documenten bleken vernietigd, zo schrijft Jeffery, „zodra de onmiddellijke relevantie” voorbij was, of verloren gegaan tijdens zes verhuizingen. Maar de anekdotes in het boek over MI6 zijn smeuïg genoeg. Zo beschrijft Jeffery hoe Wilfred Dunderdale buiten de slaapwagon van een Russische anticommunistische generaal staat om diens gesprek met zijn Britse minnares te vertalen. Dunderdale, een amateurbokser die in de jaren twintig in de Sovjet-Unie werkte en daarna hoofd werd van MI6 in Parijs, was bevriend met Ian Fleming – zelf bij de marine inlichtingendienst – en beweerde altijd dat zijn verhalen de basis vormden voor de boeken over James Bond.

Ook het verhaal van de Nederlander Peter Tazelaar spreekt tot de verbeelding. Hij werd in november 1941 voor de kust van Scheveningen gedropt. In „smoking en ruikend naar alcohol, met een speciaal voor hem ontwikkeld rubberpak om hem droog te houden” terwijl hij naar het strand zwemt. Op het strand voor het Kurhaus besprenkelt Erik Hazelhoff, soldaat van Oranje, hem met wat druppels brandy om zijn imago van feestganger te versterken.

Maar samenwerking met de Nederlandse regering in ballingschap is „ijzig”, meldt Jeffery, zeker omdat slechts vier van de vijftien Nederlandse agenten het overleefden. Bovendien had MI6 in november 1939 de neutraliteit van Nederland op het spel gezet in Venlo. Daar zouden Britse geheimagenten, met medeweten van het hoofd van de Nederlandse inlichtingendienst, generaal Van Oorschot, een hoge Duitse generaal ontmoeten die een coup wilde plegen. Het bleek een val, de Britten werden gevangengenomen en hun Nederlandse chauffeur werd gedood: „Niemand had eraan gedacht de ontmoetingsplaats vooraf te verkennen.”

Er zijn meer genante momenten. Zo had MI6 nauwelijks informatie over de opkomst van de nazi’s in Duitsland. „Er was weinig vraag naar interne Duitse politieke bewegingen.” Een zeldzaam rapport uit 1939 spreekt over concentratiekampen, maar de bron wilde niet praten met de agent in Zwitserland, die het opstelde. Ook het non-agressiepact tussen Duitsland en de Sovjet-Unie werd gemist door MI6. Rapporten over het overleg tussen de twee landen werden op het hoofdkantoor zo ongeloofwaardig gevonden „dat de officier aan het bureau weigerde ze rond te delen”.

Jeffery’s boek houdt op in 1949, het begin van de Koude Oorlog. Dat is vooral om huidige agenten en de Britse nationale veiligheid te beschermen. „Er zijn geen plannen voor iets soortgelijks in de toekomst”, zei John Scarlett, de voormalige baas van MI6.