Opstand der randgewesten?

Een horlogemaker bij mij in de buurt hing ’s zomers altijd een bordje aan de deur van zijn winkel met de boodschap: „Van ... tot ... genieten wij van een welverdiende vakantie.” Nu, of het welverdiend is, zullen de klanten wel uitmaken, dacht ik telkens wanneer ik er langsliep. Nu neem ik zelf een weekje vakantie en laat ik vandaag voornamelijk anderen aan het woord, zoals Gideon Rachman van de Financial Times. Op 7 september schreef hij:

„Met uitzondering van een paar misleide marxisten weten historici dat hun werk niet gebruikt kan worden om de toekomst te voorspellen. Geschiedenis kan geen sociologisch equivalent van de wetten der fysica leveren. Gebouwen gebouwd volgens die wetten lijken te blijven staan, terwijl beleid en handelstelsels die volgens de ‘wetten’ van de economie zijn gebouwd, de vervelende gewoonte hebben in te storten.

„In plaats van fysici na te apen is het voor economen misschien tijd om een paar lessen uit de geschiedenis te trekken of, beter, van historici te leren. Zij weten dat grote problemen nooit definitief opgelost worden. Iedere generatie zal een eigen interpretatie van het verleden geven en haar eigen oordeel vellen.”

Alsof om dit te bevestigen signaleerde de FT elf dagen later in een hoofdartikel dat de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling in Parijs en de Europese Commissie in Brussel bijna tegelijkertijd economische prognoses hadden gepubliceerd die elkaar tegenspraken. De eerste was eerder pessimistisch, de andere optimistisch. (Beide hadden, eerder dit jaar, niet verwacht dat Europa in het tweede kwartaal een sterke groei zou vertonen, vooral gestimuleerd door de Duitse economie.)

Natuurlijk zou Rachman niet zonder weerwoord blijven. Een collega van hem antwoordde hem twee dagen later. De bevoegdheid ontbreekt mij om uit te maken wie er gelijk had. Het gaat erom dat de economie geen exacte wetenschap is. De geschiedenis trouwens evenmin. De Utrechtse historicus H.W. von der Dunk noemde de geschiedenis „een onwetenschappelijke wetenschap”. Zijn economen ook zo ver?

We hebben nu het terrein van de geschiedenis betreden. Historici houden zich, anders dan economen, met het verleden bezig en wagen zich zelden aan voorspellingen. Op z’n hoogst trekken zij wel eens parallellen met het heden.

Dat doet Maarten Prak, eveneens Utrechts hoogleraar, in een artikel in het laatste nummer van de Bijdragen en Mededelingen, betreffende de Geschiedenis der Nederlanden.

Dat artikel gaat over de Republiek der Zeven Provinciën als burgerlijke samenleving. Die Republiek was een uitzondering in het toenmalige Europa. In de eerste plaats was zij een republiek, terwijl in de rest meestal koningen heersten. In de tweede plaats heerste er grotere vrijheid van godsdienst en meningsuiting dan elders.

In de derde plaats was de republiek een soort van wereldwonder. Niet alleen was zij rijker dan de omringende landen, maar bloeiden er ook de kunsten en wetenschappen als nergens anders. Maar het wonderlijkste was misschien wel dat zij een grote mogendheid was wier macht de hele wereld bestreek – en dat terwijl zij een buitengewoon losse federatie van nominaal soevereine provincies was met een navenant moeizame besluitvorming.

Dit merkwaardige verschijnsel nu is voor prof. Prak aanleiding om, op de laatste pagina van zijn artikel, enkele bespiegelingen ten beste te geven over de eventuele relevantie van het Nederlandse zeventiende- en achttiende-eeuwse model voor het heden. Nee, hij trekt geen voor de hand liggende vergelijking met de Europese Unie, die immers ook niet meer dan een confederatie is, een bond van soevereine staten.

Hij schrijft: „[...] in deze dagen, waarin vragen rijzen omtrent de toekomst van de moderne natiestaat, met zijn opgezwollen bureaucratie die meer en meer inbreuk maakt op de civiele vrijheden en zijn burgers, lijkt de Nederlandse Republiek een recept te bieden voor de lichtere versie van de staat: een staat waarin locale en regionale instellingen veel meer ruimte voor onafhankelijke actie hebben. Dit model werkt nog in, bijvoorbeeld, Zwitserland.”

Zeker, het Nederlandse model heeft slechts twee eeuwen gewerkt, en van die twee eeuwen heeft het slechts enkele decennia, omstreeks het midden van de zeventiende eeuw, zijn hoogtepunt beleefd, „een kleinschalige economie verenigend met [succes in] de wereldeconomie”. Met de Franse tijd was het voorbij en werd de staat gecentraliseerd – een model dat koning Willem I, zoon van de laatste stadhouder, na 1815 dankbaar overnam.

Maar de tegenwoordige crisis van de moderne staat doet vermoeden dat ook dit model zijn bruikbaarheid heeft overleefd en „misschien niet ‘het einde van de geschiedenis’ is, maar eerder een ander stadium in een voortdurend proces. Zo ja, dan zijn historische alternatieven, zoals de Nederlandse Republiek, direct relevant – niet alleen voor historisch onderzoek, maar ook voor de politieke agenda.”

Wat dat betreft was de reportage van Joke Mat en Laura Starink in NRC Weekblad van 18 september onthullend: het grote verlies van het CDA ten voordele van de PVV in Limburg, Brabant en Zeeuws-Vlaanderen had minder te maken met moslims dan met afkeer jegens het verre, bedilzuchtige Den Haag en jegens het CDA, waarin volgens de zuidelijke katholieken de calvinisten domineren. Terugkeer naar grotere regionale autonomie zou dan voor de hand liggen. Was ook de opstand die, onbedoeld, tot Nederlandse onafhankelijkheid zou leiden, niet geboren uit afkeer jegens een centralisme – toen dat van Philips II?

Als Nederland straks in Mark Rutte voor het eerst sinds Thorbecke een historicus als minister-president zou krijgen, zou hij daar misschien eens over kunnen nadenken – als hij daar tenminste de tijd voor zou nemen.