Millenniumdoel is lokaas van het neoliberalisme

De Millenniumdoelen van de VN gaan aan de oorzaken van armoede voorbij en kunnen dus ook geen oplossingen bieden, meent David Sogge.

Deze krant is positief over de voortgang van de Millenniumdoelen (Millenniumdoelen: armoede met succes teruggedrongen, NRC Handelsblad, 21 september). Dit optimisme deel ik geenszins.

Decennialang hebben de Verenigde Naties en de leiders van de hulpindustrie zich onvermoeibaar ingespannen om gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties en ook de media op één lijn te krijgen en hen hetzelfde verhaal te laten vertellen. Het gewenste verhaal gaat over de lotsverbetering van de armen en het maant de rijken gul te zijn voor wie zich met deze verbetering bezighoudt. Deze benadering vindt gehoor bij de belangrijkste media omdat ze aansluit bij een geliefde verhaallijn: iemand is in nood. Er komt hulp. De nood wordt gelenigd. De wereld is weer in orde.

De Millenniumdoelen zijn verpakt in doelstellingen, subdoelstellingen, indicatoren en tijdschema’s en zetten daarmee het ‘resultaatgerichte’ no-nonsensemanagement van de neoliberalen in, in plaats van de minder tastbare idealen van de sociaal-democraten, zoals ‘menselijke ontwikkeling’. Beide benaderingen vermijden de explosieve thema’s macht, ongelijkheid en onrechtvaardigheid. In plaats daarvan richten ze zich op de indicatoren van armoede en wordt de oplossing in hapklare brokken opgediend. Daarmee worden de Millenniumdoelen gedepolitiseerd, zijn ze loffelijk en neutraal en voor iedereen aanvaardbaar. Ze bieden een liturgie voor een brede kerk.

Maar omdat ze aan de oorzaken voorbijgaan, brengen ze ons niet veel dichter bij een werkelijke oplossing. Ze impliceren – en dat is een van hun verdiensten – dat armoede te voorkomen is. Maar ze verzuimen iets zinnigs te zeggen over de redenen van hun voortbestaan, zoals betoogd in een pas verschenen rapport van het VN-instituut voor sociale ontwikkeling UNRISD.

Een van de redenen voor dit stilzwijgen is misschien het beschamende gegeven – zoals Vietnam laat zien – dat een geslaagde vermindering van de armoede meer kans heeft als overheden een gedisciplineerd ontwikkelingsbeleid volgen dat radicaal afwijkt van het marktfundamentalisme dat donors verlangen.

Sinds het einde van de jaren zeventig heeft de officiële hulpindustrie landen met lage inkomens, vooral in Afrika en de voormalige Sovjet-Unie, onder druk gezet om de economische groei en de vorm van het bestuur te laten bepalen door de particuliere sector, met name door hun economie snel open te stellen voor de krachten van de wereldmarkt en hun publieke sector en het grootste deel van hun dienstverlening in te krimpen. Inmiddels heeft het marktfundamentalisme een aantal van zijn scherpe kantjes verloren. Maar de schade is aangericht, zoals blijkt uit de ongelijke en veelal trage vorderingen. Kijk naar de alarmerende gevallen van stilstand of achteruitgang in het grootste deel van Afrika, waar de Millenniumdoelen ook van toepassing zijn.

Besteden de overheden van landen met lage inkomens wel serieuze aandacht aan de Millenniumdoelen? Niet echt en nog het minst bij de opstelling van hun begrotingen. Integendeel, ze besteden aandacht aan het IMF en andere instanties die over het serieuze geld gaan. En wat vindt het IMF van de Millenniumdoelen? Zoals uit een recente studie blijkt nemen de IMF-medewerkers de politiek van deze doelstellingen duidelijk niet serieus. Er is geen aanwijzing dat het IMF zijn belangrijkste marktfundamentalisme laten varen.

Nemen de donors de doelstellingen dan wel serieus? Natuurlijk mengen ze zich in het hallelujakoor en verwijzen ze er graag naar als ze hun hulpbudgetten bepleiten. Maar ze moeten de daad nog veel meer bij het woord voegen. De donoruitgaven aan de vier meest relevante sectoren voor de Millenniumdoelen – basisonderwijs, basisgezondheidszorg, voeding en schoon water/sanitaire voorzieningen – zijn niet veranderd.

Toen de doelen net waren opgesteld, in de periode 2001-2003, besloegen deze sectoren zo’n 10,4 procent van de totale steun uit de rijke (OESO-)landen, terwijl dit cijfer in de periode 2006-2008 ongeveer 10,9 procent bedroeg. Een dergelijke minimale verschuiving duidt niet bepaald op een radicale omslag naar de Millenniumdoelstellingen. Overigens hebben de donors zorgvuldig vermeden ooit waterdichte afspraken te maken. Alles is vrijwillig, geen enkele belofte is af te dwingen. De meeste hulpontvangers daarentegen moeten zich naar de voorkeuren van de donors schikken, op straffe van onaangename gevolgen.

Maar wie helpt nu eigenlijk wie? Deze vraag wordt zelden onderzocht, maar is wel van essentieel belang om te begrijpen waarom het IMF c.s. het marktfundamentalisme blijft bevorderen. Voor bepaalde belangen in de rijke landen, zoals op Wall Street, is dat beleid enorm profijtelijk geweest.

Dit blijkt ook als we de geldstromen volgen. Vooral sinds het einde van de jaren negentig komt de mondiale geldstroom per saldo neer op een massale overdracht van de rijkdom van arme naar rijke bestemmingen. Volgens het gezaghebbende jaarlijkse VN-rapport World Economic Situation and Prospects van 2010 bedroeg de overdracht uit arme landen naar rijke bestemmingen in de periode 2000-2008 per saldo circa 534 miljard dollar per jaar. Per regio beliep de netto jaarlijkse overdracht uit bijvoorbeeld Afrika 50 miljard en uit Oost- en Zuid-Azië maar liefst 239 miljard. En dit zijn nog maar de geregistreerde cijfers; clandestiene stromen maken de financiële aderlating nog groter.

Ondanks hun nieuwe gepraat over ‘armoedebestrijding en groei’ blijven de burchten van het hulpsysteem in Washington dezelfde recepten propageren die een rechtvaardige ontwikkeling in arme landen verhinderen en de opwaartse herverdeling van de welvaart bevorderen – de werkelijke agenda van het huidige wereldkapitalisme. Onder deze omstandigheden lopen we met de Millenniumdoelen een roltrap op die naar beneden gaat.

David Sogge is onderzoeker verbonden aan het Transnational Institute (TNI) in Amsterdam. Hij werkt sinds 1970 in de ontwikkelingshulpindustrie.