Korte lontjes

Jongens die in de trein met hun voeten op de bank liggen, die daar met hun muziek overlast veroorzaken, die anderen op straat uitschelden, die luidruchtig onder je raam rondhangen – hoe ga je met hen om? Hans Kaldenbach, pedagoog van origine, geeft daarover in Amsterdam workshops voor buurtbewoners.

In Wijkcentrum Jordaan heb ik een avondje zo’n workshop gevolgd. Kaldenbach doet dit werk met een acteur; samen zetten ze scènes op waarin ook het publiek betrokken wordt. Heeft zulk gesubsidieerd onderricht zin? De Amsterdamse VVD vindt van niet en wil ermee ophouden.

Toch denk ik dat ook VVD’ers baat zouden kunnen hebben bij een aantal tips. Kaldenbach overtuigde mij vooral met aanwijzingen voor gedrag dat je níét moet vertonen. Net als de meeste mensen heb ik bij overlast de neiging tamelijk lang mijn mond te houden tot ik, overkokend van opgekropte ergernis, dingen roep als: „Hou eens op met die rotmuziek” of „Kan het nou eindelijk eens afgelopen zijn met dat geklier?”

Dit is zéér fout. Minachting, paternalisme, laat staan agressie – het werkt allemaal averechts in de omgang met jongens met ‘korte lontjes’. Je moet rustig blijven, niet naar ze wijzen of ‘vies’ (afkeurend) kijken en je mag ze al helemaal niet aanraken. Probeer ontspannen met ze in contact te komen via een neutrale, vriendelijke opmerking, toon enig begrip en vraag vervolgens kalm of ze hun gedrag willen matigen. Blijf niet te lang praten en loop door.

Kaldenbach leerde in Utrecht een buschauffeur kennen die nooit problemen had met jonge reizigers. Toen hij een vervalste strippenkaart kreeg aangeboden, schudde hij zijn hoofd en zei: „Joh, dit is zo slecht nagemaakt. Dit ziet er niet uit. Dit zien we meteen. Dit kunnen we echt niet accepteren.” De jongen pakte grijnzend een nieuwe strippenkaart.

Kaldenbach kon mij minder overtuigen met zijn concrete oplossingen in netelige situaties. Hij erkende ook zelf dat je in sommige situaties kansloos bent. Hij had eens lijdzaam moeten toezien hoe een groep van vijftien jongens met een geestelijk gestoorde vrouw dolde. „Als het een groep is die veel drank en drugs heeft gebruikt, kun je alleen maar de politie bellen.” Voor het geval hij zelf belaagd zou worden, heeft hij altijd een fluitje op zak; hard blazen – dat schrikt af.

Een man in het publiek was homo en al drie keer nageroepen door autochtone – hij zei het met nadruk – jongens. Ze bootsten in de workshop de situatie met hem na. „Homo!” riepen enkele ‘hangjongeren’. Hij reageerde ook nu te verontwaardigd, zodat de jongeren konden doorgaan met pesten. „Probeer eens te zeggen: kun je het zien dan?” werd hem aangeraden.

„Nee, dat is niet goed voor mij”, zei de man, „ik ben al zo bang dát ze het kunnen zien.”

„Je moet iets zeggen dat bij jou past”, zei Kaldenbach.

„Ben ik minder dan jij?” probeerde ik.

„Nee”, zei Kaldenbach, „te uitdagend.” Humor kan bevrijdend werken in zulke situaties, had hij gemerkt. Je zou iets moeten zeggen als: „Dag jongen! Goed gezien!” En blijven doorlopen.

Tja, je moet er op dát moment maar opkomen. Dat gold voor meer oplossingen: aardig bedacht, maar je moet wel de tegenwoordigheid van geest hebben om ze ook in die omstandigheden te bedenken.