Herfsttij voor Obama

Bijna halverwege zijn ambtstermijn dient de herfst voor president Barack Obama zich aan. Het team waarmee hij begin 2009 naar Washington trok, begint uiteen te vallen.

Deze week liet zijn economisch adviseur Larry Summers, tien jaar geleden minister van Financiën onder Bill Clinton, weten eind dit jaar zijn professoraat aan Harvard weer op te nemen. Eerder verliet zijn begrotingsdirecteur Peter Orszag het Witte Huis. En alom wordt verwacht dat stafchef Rahm Emanuel een gooi doet naar het vacante burgemeesterschap van Chicago, waar de Daley-dynastie nu vertrekt.

Volgende week verschijnt het boek Obama’s War, waarin de journalist Bob Woodward de meningsverschillen binnen het Witte Huis over de beste strategie in Afghanistan uit en te na beschrijft. Afgaande op de voorpublicaties rijst er een beeld op van een regering die onderling verdeeld is en moeite heeft om de militaire leiding op één lijn te krijgen.

Van desertie of subversiviteit is nog geen sprake. Debat en personeelsverloop passen binnen de pluriformiteit waarmee een democratische regering moet kunnen omgaan.

Maar over anderhalve maand krijgt Obama wel een eerste rekening gepresenteerd. Talloze peilingen voorspellen dat de Democraten in de Senaat op het nippertje een kleine meerderheid houden en in het Huis van Afgevaardigden tot een minderheid worden teruggedrongen. Als die prognoses uitkomen, verliest de president zijn toch al bescheiden machtspositie om zijn eigen wetgeving te forceren.

Afgelopen jaren heeft Obama al ervaren hoe moeizaam zijn hervormingsagenda door de volksvertegenwoordiging werd behandeld. Zo heeft hij wel met succes een nieuw zorgstelsel door het Congres geloodst. Maar nu er overheidsgeld vrijgemaakt moet worden om de nieuwe wet daadwerkelijk te realiseren, maken Republikeinen zich op het stelsel alsnog langs budgettaire weg te torpederen.

Na de tussentijdse Congresverkiezingen begin november dreigt de president nog kwetsbaarder te worden. Obama zal dan een voorbeeld moeten nemen aan zijn voorganger Clinton die in 1994 door een sterke Republikeinse comeback in het Congres tot zelfverloochening werd gedwongen en zich daarna grotendeels op opiniepeiler Dick Morris verliet.

Maar er is ook een belangrijk verschil tussen toen en nu. Clinton had te maken met een oppositie die beschikte over helder programma. De Republikeinse leider Newt Gingrich was het gezicht. De Republikeinen zijn nu in het ongerede. In Delaware zijn ze zo in de greep van de ‘Tea Party’ dat ze er liever een vrouw, die ooit dacht ‘heks’ te zijn, kandideerden voor de Senaat dan de zittende man die zijn zetel zeker was.

Dat lijkt voor de Democraten een geluk bij een ongeluk. Maar dat is het niet, al lijkt de zetel in Delaware nu hun kant op te rollen. De radicalisering van de Republikeinen maakt compromissen in het midden moeilijker en polarisatie dus waarschijnlijker. Deze dubbele instabiliteit – in het Witte Huis en in het Congres – is geen goed vooruitzicht voor het najaar van de eerste ambtstermijn van president Obama.