EU worstelt met controle op doping

Tussen de EU-lidstaten bestaan grote verschillen in dopingbestrijding.

Voor sommige landen is het te duur om het biologisch paspoort in te voeren.

Vlaamse topsporters hebben het zwaar, vergeleken met hun Frans- en Duitstalige landgenoten. Liefst 682 Vlaamse topsporters moeten dagelijks hun verblijfplaatsen opgeven om beschikbaar te zijn voor dopingcontroles. In de Franse en Duitse Gemeenschappen van België geldt die verplichting voor geen enkele sporter.

Niet alleen België, maar de hele Europese Unie worstelt met de bestrijding van doping. Dat blijkt uit vorige week gepresenteerd onderzoek van het Haagse Asser Instituut. Het instituut bekeek in opdracht van EU-voorzitter België hoe de lidstaten omgaan met de richtlijnen van het Wereldantidopingagentschap (WADA). Zeer divers, luidt één conclusie.

Zo blijken veertien lidstaten – waaronder Nederland – de biologische paspoorten niet te hebben ingevoerd. Daarmee kunnen afwijkingen in de bloedwaarden van sporters over lange perioden worden opgespoord. Ook blijkt dat lang niet alle lidstaten de dopingsancties erkennen die door een ander land zijn opgelegd.

En net als de Frans- en Duitstalige topsporters uit België hoeven ook hun collega’s uit Polen en Malta niet dagelijks hun ‘whereabouts’ aan te leveren aan dopingspeurders. In schril contrast daarmee staat de Duitse dopingautoriteit, die 1.700 topsporters aanwees voor deze ‘geregistreerde doelgroep’ voor dopingcontroles. Italië heeft er meer dan 1.500, Spanje 274, Slowakije 870, Finland 65, Nederland ongeveer 450. De cijfers komen van de nationale dopingautoriteiten zelf.

„De verschillen zijn opmerkelijk”, zegt Herman Ram, directeur van de Nederlandse Dopingautoriteit. „Een deel daarvan kan ik absoluut niet verklaren.” De verschillen zijn des te opmerkelijker, omdat de Europese Commissie de lidstaten in 2007 heeft opgeroepen tot meer uniformiteit te komen in de bestrijding van doping.

Volgens Ram zijn de nationale keuzes in het antidopingbeleid mogelijk beïnvloed door financiële beperkingen. „Als je veel sporters moet controleren kost dat ook veel geld.” De antidopingregels van de WADA bieden „veel ruimte voor interpretatie”, zegt Ram. WADA rept alleen van „sporters op topniveau”.

„Maar de verschillen in de Europese antidopingaanpak betekenen wel dat topsporters in Europa verschillend worden belast in hun privéleven. En dat het systeem van de whereabouts druk veroorzaakt voor topsporters staat vast”, zegt Yves Kummer, medeoprichter van sportersvakbond NL Sporter. Uit recent onderzoek onder topsporters blijkt dat veel van hen „heel veel last hebben van stress” doordat zij altijd moeten denken om hun dagelijkse bewegingen. Een sporter die drie keer onvindbaar was voor een dopingcontrole, heeft een groot probleem: dat staat gelijk aan een positieve dopingtest.

Herman Ram erkent dat sporters die hun whereabouts moeten aanleveren extra worden belast. „Natuurlijk zijn sporters die er niet aan mee hoeven te doen daar blij mee. Maar ik denk niet dat daar iets achter zit. Ik heb geen aanwijzingen dat er landen zijn die bewust hun topsporters proberen te ontzien. Waarom het Franse deel van België dat niet heeft, weet ik niet. Ze lopen duidelijk achter.”

Uit het onderzoek blijkt dat binnen de EU verschillend wordt gedacht over ‘sporters op topniveau’. Zo kijkt Letland alleen naar sporters van de olympische ploeg. In Duitsland en Italië moeten vrijwel alle topsporters dagelijks hun verblijfplaats doorgeven. In Nederland is de groep ook groter dan alleen de olympiërs. Ram: „Nederland kiest voor een brede benadering. Wij beperken ons niet tot de olympische sporten of sporten die ons medaillewinnaars bij de Spelen opleveren. Dan zou een sport als korfbal erbuiten vallen, terwijl dat getalsmatig en qua wereldtitels een grote sport is in Nederland. Ook rugby en golf zijn grote sporten die nog geen olympische status hebben.”

Dat Nederland het biologisch paspoort nog niet heeft ingevoerd vindt de WADA „vervelend”, erkent Ram. Ook landen als Tsjechië, Polen, Griekenland, België en Luxemburg kennen geen biologische paspoorten voor hun eigen sporters. Maar de WADA heeft dat niet verplicht gesteld. Ram: „We hebben er één reden voor waarom we de biologische paspoorten niet hebben in Nederland: geld. Het is op dit moment te duur om in te voeren.” Overigens betekent het niet dat het biologisch paspoort nog niet bestaat in Nederland. In het wielrennen en het schaatsen is het biologisch paspoort verplicht gesteld door de internationale federaties UCI (wielrennen) en de ISU (schaatsen).

Ram is optimistisch over het niveau van de dopingbestrijding. „Het lijkt allemaal heel chaotisch, maar de situatie was nog veel erger. Tot 2004, toen de WADA-code van kracht werd, konden nationale overheden en sportorganisaties gewoon hun gang gaan. We zijn een stuk verder dan tien jaar geleden.”