Eerst iets tegen de Zeedijkgriep

Hoe beginnen mensen hun dag, nadat ze het bed uit zijn? Freek Schravesande vraagt het aan ze.

Erik, Erik, wakker worden! Je hebt weer dope nodig! De Zeedijkgriep, hij voelt het in zijn hele lijf. Loopneus, jeuk, rusteloze benen. Soms probeert hij beneden nog een hap door zijn keel te krijgen. Een boterham met zoetigheid, of worst. Daarna vertrekt hij van doorstroomvoorziening naar verstrekking, waar hij staat ingeroosterd om elf uur.

Erik loopt licht gebogen, hoofd tussen de schouders, handen in de zakken van zijn strakke spijkerbroek. Eeuwig diezelfde looplijn in stevige pas.

Halverwege houdt hij stil. Werkmannen renoveren de brug naast het Amstelhotel. De weg- en waterbouw. Techniek. Als zoon van een botenbouwer zaagde Erik al op zijn negende zijn eerste bed. Planken van 4,7 centimeter.

Dat hij op zijn vijftiende alleen naar Waalwijk vertrok en op zijn zeventiende een studie sociologie in Amsterdam begon was vooral tegendraadsheid. Een technisch beroep, dat kwam nog wel.

Niet dat de keuze iets had uitgemaakt. Zijn ouders waren al flinke innemers, qua alcohol dan, en ook zijn broer is verslaafd. Kwestie van genen. Op zijn dertiende nam Erik zijn eerste jointje, op zijn vijftiende zijn eerste snuifje. Erik leerde makkelijk en kon zich de bekostiging met een bijbaan veroorloven.

De hete zomer van 1979. Kraker Erik kreeg heroïne aangeboden, vond het al geen goed idee maar deed het toch, nam het de dag erop nog eens, wilde drie maanden later een dagje stoppen, werd toen akelig ziek en realiseerde wat hij zichzelf had aangedaan. Volledig eigen schuld, realiseert hij.

Clean in 1989 begeleidde Erik na een interne ICT-opleiding systeemconversies voor bedrijven als ABN Amro. Erik had een leasebak, een vriendin en woonde op de Keizersgracht. Toen zijn vader overleed begon hij weer te gebruiken. Hij meldde zich regelmatig ziek en werd door de directeur van het automatiseringsbedrijf op het matje geroepen. „Erik, wat is er toch? Je kreeg drie keer per jaar opslag, het ging zo geweldig allemaal.”

„Ik gebruik.”

„Dat is toch geen ramp? Laatst stond hier op een feestje ook een schaaltje coke.”

„Ja maar, het is niet coke wat ik gebruik.”

Erik kreeg een half jaarsalaris mee. 40.000 gulden. Hij kocht een berg dope, basede tien gram per dag en ging dealen aan de keukentafel. Binnen een maand was het geld op. Natuurlijk werd zijn vriendin gek van hem en van de kredietvragende junks thuis. Een al langer sluimerend conflict – hij wilde kinderen, zij niet – deed de relatie definitief de das om.

De periode dat zijn relatie op de klippen liep was hij ongelukkiger dan nu. Erik repareert bootjes in de grachtengordel en klust her en der zwart bij om het contact met de gewone wereld – en daarmee zijn zelfvertrouwen – niet te verliezen. Genieten doet hij in het zonnetje op een bankje met een portie coke en heel veel glazen wijn. Hij kan nog dromen. Over eigen huisvesting, het bijgebruik eruit en alles afbouwen naar nul. Dan een baan, een vriendin en kinderen.

Erik kijkt op zijn telefoon. Het is kwart voor elf. Hij is best wel blij dat het nu bijna zover is, inmiddels.

Freek Schravesande