Trippend richting het hiernamaals

Enter the Void Regie: Gaspar Noé. Met: Nathaniel Brown, Paz de la Huerta. In: 10 bioscopen. ***

Wie wil er tweeënhalf uur doorbrengen in het hoofd van een junkie, die apestoned is? Dat hangt natuurlijk af van de gebruiker in kwestie. Niet zozeer de drugs zijn interessant, maar degenen die ze inneemt. De grootste vergissing die de Franse provocateur Gaspar Noé maakt in zijn ambitieuze drugsfilm Enter the Void is dat hij van Oscar (Nathaniel Brown), de trippende hoofdpersoon, zo’n hele gewone, doorsneegebruiker heeft gemaakt. Dat boeit niet – hoe extreem de avonturen die hij vervolgens meemaakt, in en buiten zijn eigen lichaam, ook zijn.

Wel zo eerlijk misschien: Enter the Void kijkt zonder meer hunkerend en begerig naar de roes, maar gaat ook de verloedering en de eentonigheid van drugslevens niet uit de weg. Noé baarde eerder veel opzien met zijn portret van vuilbekkende, incestplegende, racistische slager in Seul contre tous (1998) en het omgekeerd vertelde, extreem bloederige noodlotsdrama Irreversible (2002). Op basis van die twee hoogst agressieve films is Noés keuze voor een film over psychedelische tripmiddelen opmerkelijk. Je zou eerder een film vanuit een agressieve punkdrug zoals amfetamine verwachten, maar Noé blijkt de voorkeur te geven aan het roesmiddel DTM en schuwt de nodige hippieclichés niet. Hij maakt daarbij effectief gebruik van de neonwereld van nachtelijk Tokio, waar de film zich afspeelt. De hele film baadt in uitvloeiende primaire kleuren.

Aanvankelijk zien we de wereld geheel vanuit Oscars gezichtspunt. Als hij de drugspijp in de mond neemt en zijn aansteker erbij brengt, is het pijpje vastgeklonken aan de camera, zoals een wapen in een computerspel. En hoewel Noé geen bijster verrassende golvende en zich vertakkende patronen tekent om Oscars trip weer te geven, zijn die rustgevende patronen aangenaam om naar te kijken, en hebben ze zelfs een licht hallucinerend effect.

Oscars roes wordt verstoord als hij een drugspakketje moet afleveren in een kroeg. Hij strompelt erheen, loopt in een politieval en wordt miezerig doodgeschoten op een smerig toilet. Dan blijkt het Tibetaans Dodenboek dat hij kort geleden heeft doorgebladerd, goed van pas te komen. Nu begint de trip pas echt. Oscar is een geest geworden die door nachtelijk Tokio zwerft, toekijkt hoe de wereld zonder hem verder gaat, en ondertussen zijn leven aan zich voorbij ziet trekken – inclusief de abortus die zijn zus Linda (Paz de la Huerta) ondergaat, met wie hij een warme, half- incestueuze band heeft, en de dood van hun ouders bij een auto-ongeluk met de kinderen op de achterbank. Zo zijn er wel meer shockeffecten, zoals een shot vanuit de vagina tijdens de coïtus, die voornamelijk bedoeld lijken om de nodige reuring te veroorzaken.

Na een prikkelend begin verzandt de film in een sufmakende loomheid, alsof de kijker een kamer betreedt waarin de verwarming veel te hoog staat. Dat is op zich passend, want waar de dolende ziel Oscar volgens Noé naar terugverlangt, is de baarmoeder.

Goed, Noé stoort zich aan niets en niemand en het laatste wat hem voor ogen lijkt te hebben gestaan is een film maken die voor intelligent zou kunnen worden versleten. Met diezelfde roekeloze houding wist hij een nauwelijks verteerbaar meesterwerk als Irreversible te maken. Het is daarom veel te vroeg om Noé af te schrijven. Zoveel risicozoekende regisseurs zijn er momenteel niet actief.

Vrijdag in CS: interview met Gaspar Noé over ‘Enter the Void’