Samen uitgaan en tegen elkaar vechten

In Libanon gaan jonge moslims uit met christelijke vrienden. Maar onderhuids blijven de sektarische spanningen bestaan. „Dit is een land van haat.”

Ook als je moslim bent, ga je uit in christelijk Oost-Beiroet, waar de disco’s het coolst zijn. „Allemaal houden we van uitgaan, we willen plezier maken”, straalt de shi’itische Natasha Bzieh uit islamitisch West-Beiroet.

Net als Bzieh hebben de sunniet Issa Itanie, de christelijke graffiti-kunstenaar Raoul Mallat, de shi’iet Ahmed Hussain en de christelijke Mary Moubayed in alle gemeenschappen vrienden. Maar onderhuids overheersen in Libanon onverminderd de sektarische tegenstellingen. Christen tegen moslim, shi’iet tegen sunniet. „Dit is een land van haat”, constateert psychiater en sociologisch onderzoeker dr. Ahmad Ayache. „Haat, haat, haat.”

Morgen kan het weer oorlog zijn.

Zoals alle andere Midden-Oosterse landen is Libanon een jong land: de helft van de vier miljoen inwoners is jonger dan 29. Ze hebben de bloedige burgeroorlog (1975-1990, rond de 200.000 burgerdoden) niet of alleen als peuter meegemaakt. Ze hebben vrienden van alle gezindten. Maar, waarschuwt psychiater Ayache: „We zijn een volk dat elke vijftien, twintig jaar oorlog maakt en de mensen die plezier maken en zingen zijn dezelfden die de straat opgaan om de anderen te doden.”

Haat? Helemaal niet, zegt Natasha Bzieh op het terras van Starbucks in de winkelstraat Hamra, die voor de burgeroorlog als de Champs Elysées van Beiroet gold. „Ik heb vrienden van alle religies. En als er wat gebeurt zoals de recente straatoorlog in Burj Abi Hajdar, dan komen we allemaal bij elkaar om erover te praten.”

In Libanon is veel niet wat het lijkt. Bzieh (20) studeert politieke wetenschappen aan de American University en de zwarte broek en het T-shirt waarin ze vanavond is gekleed, zitten als een tweede huid. Haar lange nagels zijn fel rood gelakt. Maar ze steunt de fundamentalistisch-shi’itische beweging Hezbollah, die in de Verenigde Staten en Israël als terroristische organisatie geldt en die eerder met verhullende islamitische kledij wordt geassocieerd.

„Ik wil ook vechten tegen de Israëlische bezetting van Libanees gebied en de Palestijnen bevrijden. Ik wil vrede en Hezbollah-leider Nasrallah zal die brengen.”

„Uiteindelijk”, geeft ze met tegenzin toe, „staat iedereen achter zijn eigen gemeenschap. En als de leider zegt: vechten! dan vechten ze.”

In het grote, luxe winkelcentrum ABC (230 winkels, twintig restaurants, zeven bioscopen) in de christelijke wijk Ashrafiyeh flaneert een goedgekleed publiek. Jonge moeders met kinderen worden vergezeld door gemelijke Filippijnse en Bengaalse nannies. De terrassen zijn vol. „Om niets kunnen we binnen enkele minuten in een oorlog terechtkomen”, bevestigt Issa Itanie (30).

Hij wijst op de straatoorlog in Burj Abi Hajdar, midden in Beiroet, tussen een sunnitische strijdgroep en Hezbollah. Binnen enkele minuten hadden beide zijden tientallen jonge strijders met raketwerpers en automatische wapens opgetrommeld. „Onze omstandigheden maken ons extremisten of dronkaards of drugsverslaafden.”

Itanie is volgens zijn papieren sunniet, maar hij voelt dat niet zo. „Mijn moeder leerde me niet fanatiek te zijn. Als kind ging ik met vrienden naar een kerk. Alle mensen hebben één God. Wij maken zelf de tegenstellingen. We straffen onszelf.”

Als je zoals Itanie niet bij de sektarische partijen wilt horen, moet je de prijs betalen. Dan krijg je geen goede baan. „Ik werk als bruiloftsfotograaf, maar ik heb marketing gestudeerd. Er zijn best veel mensen zoals ik, maar we hebben ons niet georganiseerd. Iedereen weet dat onze leiders niet buiten hun eigen sekte kijken. Dus waar moet je heen? Mensen zoals ik zitten klem tussen de sekten en er is niets wat we kunnen doen.”

Ook de christelijke Mary Moubayed, een 17-jarige scholiere in Ashrafiyeh, heeft vrienden in alle gemeenschappen. „Er is geen sektarisch gevoel onder jongeren”, bezweert ze. Gaan jongeren dan verandering brengen? „Ik denk het niet. Iedereen blijft altijd bij zijn sekte. Niet veel mensen zijn geïnteresseerd in verandering.”

De jeugd van tegenwoordig is helemaal niet in politiek geïnteresseerd, zegt psychiater/socioloog Ayache. „Hun instinct trekt hen naar de leiders van hun groep. Ze behoren tot een bepaald geloof, en dan steunen ze instinctief de leider daarvan omdat hij tot dat geloof behoort.”

Vroeger volgden ze een ideologie: veel jongeren steunden bijvoorbeeld de communistische partij omdat die ideeën had en scherp geformuleerde doelstellingen. „De communistische ideeën bevielen hun, ook al waren het seculiere ideeën. Maar dat horen we niet meer.”

Zoals de zoons van de bejaarde boekhandelaar in een zijstraatje van Hamra. Hij maakt deel uit van een prominente seculiere sunnitische familie, die in de burgeroorlog het grootste deel van haar fortuin heeft verloren. Hij toont trots vergeelde foto’s van broers die opperrechter en stafchef van een premier waren. Een van zijn zoons doet niets, zegt hij; de ander is fitnessinstructeur in een luxehotel aan Hamra. „Ze houden zich voornamelijk bezig met het verfraaien van hun BMW.”

„Als u door Hamra loopt, wordt u best optimistisch”, zegt Ayache. „Maar dat is Libanon niet.”

„Libanon is kunstmatig gecreëerd en aan elkaar geplakt. Alle delen zijn in hun onderbewustzijn in het verleden blijven steken. Oorlog versterkt het proces van verscheurdheid. Maar ook de vrede verergert de haat tussen de verschillende gemeenschappen. Omdat iedere gemeenschap de tijd gebruikt om zich voor te bereiden op de volgende oorlog.”

Issa Itanie: „Instinctief ga je naar je eigen gemeenschap. Er is een sluimerend wantrouwen tussen de gemeenschappen. Geen vijandschap: ook als het weer oorlog is, vind je maar een kleine minderheid die zich echt de vijand van de tegenpartij voelt. Maar zelfs vrienden die samen uitgaan vechten in de oorlog tegen elkaar. Daarin is Libanon krankzinnig.”