Oedipaal drama rond zwembad

Un homme qui crie. Regie: Mahamat-Saleh Haroun. Met: Emile Abossolo M’bo, Youssouf Djaoro, Diouc Koma, Djénéba Koné. In: 5 bioscopen. ***

Het zwembad met witte parasollen van een luxe hotel is een glamourwereld waar de oude badmeester Adam heer en meester is. Een koninkrijkje dat de zwemkampioen Midden-Afrika 1965 tot een bevoorrecht man maakt in de stoffige Tsjaadse hoofdstad N’Djaména. Maar de wereld verandert, zekerheden staan op losse schroeven. Het hotel komt in Chinese handen, de nieuwe manager madame Wang haalt de bezem door de oude garde en degradeert Adam tot portier. En een nieuwe ronde in de burgeroorlog kruipt onheilspellend op de hoofdstad af.

Het zwembad is voortaan het domein van Abdel, thuis gehoorzame zoon, in het hotel plots rivaal. Abdel mag nu goede sier maken met de motor van de badmeester, vader Adam haalt wrokkig de slagboom voor hem op. Als de camera traag inzoomt op zijn peinzende gelaat, weet je dat Adam op iets troebels broedt. Een kolossale zonde tegen zijn eigen bloed. Hij is een Abraham die zijn zoon offert in een wereld waarin God geen engel stuurt om hem voor zijn gruweldaad te behoeden. Waar een misdaad onherroepelijk is en berouw ongeneeslijk.

Un homme qui crie is een oedipaal noodlotsdrama over rivaliteit tussen wegkwijnende vaders en opkomende zoons. Maar ook over corruptie en het opportunisme van Afrikaanse leiders, over de spanning tussen familiebanden en sociale status en tussen globalistische droomwereld en modderige lokale realiteit. Regisseur Haroun brengt al die lijntjes heel knap samen in deze compacte film.

Het is een procedurele film waarin het drama niet schuilt in hoogtepunten, maar in traag verschuivende dagroutines van een stoïcijnse hoofdpersoon wiens emotie vooral uit zijn handelen blijkt. Het naderbij kruipen van de burgeroorlog wordt gesuggereerd door lawaai van helikopters en straaljagers, de steeds krampachtiger toon van tv en radio, de steeds nerveuzere politie en steeds stillere straten als Adam op zijn motor tussen huis en hotel pendelt. Eerst wordt hij nog slechts gefouilleerd, later wordt hij door soldaten bedreigd of moet hij door een vluchtelingenstroom ploegen.

Die introverte stijl geeft ook een zekere vlakheid aan een film die soms net iets te parmantig met zijn metaforen pronkt. Altijd die brommende helikopters net buiten beeld als naderend onheil, vader Adam die een duikbril als stofbril gebruikt op woestijnexpeditie en zo tragikomisch traditie met moderniteit verbindt. En dan de afsluitende scène in een modderige rivier waarbij je denkt: hé, dat spiegelt knap die beginscène in het zwembad! Die schematiek maakt het je moeilijk je echt in Un homme qui crie te verliezen.