Kibbeling

Terwijl ik kibbeling at in de viszaak om de hoek, moest ik aan de Troonrede denken die de koningin die middag had uitgesproken. Ongewone combinatie: kibbeling-koningin, het allitereert en toch is het niet mijn vondst, maar die van het toeval.

We controleren de Troonredes en kerstboodschappen van de koningin altijd op die paar alinea’s waarin zij op ingehouden wijze haar gemoed laat spreken. Ze noemt geen man en paard, maar ze duidt wel de koers aan die gelopen moet worden.

Gisteren zei ze (met premier Balkenende als souffleur): „Een harmonieuze samenleving is gebouwd op respect, verdraagzaamheid en wellevendheid. Dat vergt geven en nemen, tolerantie maar ook aanpassing. Dit is de verantwoordelijkheid van ons allen.”

Toen ze die tekst thuis voor de spiegel instudeerde – ik heb overal mijn spionnen – zei ze er met een knipoog achter: „Dus ook van jou, Wilders.”

Wilders zal dat beseft hebben, maar de tekst was op dit punt zo subtiel – ze spreekt niet alleen van tolerantie maar ook van aanpassing – dat hij na afloop geen protest liet horen. Er wordt veel geklaagd over die onbestemde Troonredes, en terecht, maar zo’n mooi verpakt floretsteekje onder water mag er zijn.

In de dagelijkse conversatie lukt dat niet altijd, je zegt al gauw óf te veel óf te weinig. Neem die kibbeling.

Ik eet eigenlijk geen kibbeling meer sinds ik in een reportage op tv – ik meen van Wouter Klootwijk – aangetoond zag dat kibbeling geen bestaande vissoort is, maar uit visresten bestaat – afval dus. Daar gaat een frituurlaag omheen die de smaak maskeert en klaar is de visboer. Ik had altijd gedacht dat het kabeljauw betrof, maar dat was alleen in lang vervlogen tijden het geval. Toen werd kibbeling gemaakt van smakelijke kabeljauwwangetjes – het woord kibbeling is een verbastering daarvan. Later ontstond de nepkibbeling, samengesteld uit resten van allerlei vissoorten.

Ik stond te wachten op een haring, toen de visboer mij een paar stukken kibbeling die hij net gebakken had aanbood. „Om te proeven, meneer. Omdat u al even heeft moeten wachten.”

Tegen zo’n vriendelijk aanbod zeg je geen nee. Ik begon te eten van de nog warme, knapperige vis en moest bekennen dat het heerlijk was. De visboer zag het aan me.

„Lekker hè”, zei hij. Ik knikte.

„Ja, het blijft een verrukkelijke vis als je hem goed bakt.”

Wat had ik moeten terugzeggen, piekerde ik later. „Het mag dan wel lekker smaken, maar het is rommel, en dat weet u, als visboer, beter dan wie ook. Kibbeling is geen echte vis.” Zoiets? Nee, ik was blij dat ik dat niet gedaan had. Dat was hartelijkheid beantwoorden met hufterigheid onder het mom van assertiviteit – geen ongewone houding in Nederland, zoals de koningin al suggereerde, maar daarom nog niet nastrevenswaardig.

Maar wat zich vervolgens in die viszaak voltrok, was wel weer het andere uiterste. „Ik heb nog een paar ons liggen”, zei de visboer, „wilt u het kopen?”

Ik stond met de rug tegen de vismuur. Als ik weigerde, was ik zo’n krent die wel gratis mee-smult, maar er geen geld voorover heeft. „Dat is goed”, zei ik dociel. En zo vertrok ik dus met twee ons goed gefrituurde nepkibbeling huiswaarts. Hoe kreeg ik dat nou weer straks uitgelegd? Majesteit, sta me bij, dacht ik.