De literatuur kan echter zijn dan de harde feiten

Als het om de waarheid van het nieuws gaat, willen we harde cijfers en rapporten.

Filosoof Alain Finkielkraut bepleit de roman als bron van wijsheid voor het leven.

Een jaar of vijftien geleden, tijdens een vakantie in Portugal, zat ik rond het middaguur met mijn toenmalige geliefde op een bankje in de hortus botanicus van de kleine universiteitsstad Coimbra. De hortus was nooit ons doel geweest, maar op weg naar een andere bestemming aten we hier een broodje. Net toen we de uitgestorven tuin weer wilden verlaten, kwam aan de andere kant van de fontein een lange donkere jongen de trap af. Terwijl hij onze richting opkwam, staakten we ons voornemen op te staan. Zonder iets te zeggen volgden we zijn gang, die af en toe onderbroken werd als hij kort door de lens van zijn fotocamera keek. „Eddy”, fluisterde ik zonder mijn ogen van hem af te houden. „Sprekend...”, klonk een verbaasde stem naast mij. Het was hem niet, maar de gelijkenis was overrompelend: de jongen had het uiterlijk en de motoriek van mijn oudere broer. De dubbelhanger groette ons in het Portugees, even mompelend als mijn broer zou hebben gedaan. Ik was even bang dat hij mij herkende.

Ik bleef hem volgen, terwijl ik een fles water aan mijn mond zette en me afvroeg waarom ik eigenlijk keek – het was immers mijn broer niet. Al leek hij er misschien uitzonderlijk veel op, het bleef een volstrekt onbekende Portugese jongen. Maar het antwoord viel me ineens in toen de jongen zenuwachtig fronsend zijn fototoestel van alle kanten bekeek, deze een paar keer zinloos met zijn wijsvinger beklopte, en toen voor een moment zijn ogen opsloeg om te weten of hij niet bekeken werd. Ik wist zeker dat mijn broer zo zou hebben kunnen doen als ook zijn fototoestel het hier had begeven, maar ik zou hem dit nooit hebben kunnen zien doen. De fictieve broer stelde me in staat om mijn echte broer te observeren zoals hij zou zijn, alleen op reis, en bovendien fungeerde de Portugees onverwacht als een spiegel die de verstandhouding tussen mij en mijn broer reflecteerde.

Het voorval leek in de vergetelheid verdwenen, totdat mijn broer het afgelopen half jaar in z’n eentje de zijderoute over land afreisde. De eerste keer dat ik me afvroeg hoe het met hem zou gaan, verscheen ineens de scène in de hortus van Coimbra weer voor me.

Had ik de dubbelganger niet vijftien jaar geleden, maar pas deze zomer getroffen, dan zou de kans groot zijn geweest dat ik ter plekke een foto van de nietsvermoedende Portugees op Facebook had gezet, met een leuk bedoelde tekst: „Hé Ed, jij ook hier?” Maar gelukkig beschikten we nog niet over die middelen, ze hadden onvermijdelijk de magie weggenomen van deze intieme observatie van mijn ‘broer’.

Tegenwoordig krijgen harde feiten voorrang op de oordelen die voortkomen uit onze verbeeldingskracht. En boven verhalen verkiezen we de reality van realtime media. Dat blijkt niet alleen uit het televisieaanbod en uit de populariteit en de omvang van sociale media zoals Twitter, Hyves of Facebook, maar ook uit het belang dat massaal aan wetenschap wordt gehecht. Voor we zelf een oordeel vellen, willen we zeker weten of het eigenlijk wel wetenschappelijk onderzocht is – en zonder ons maar een moment af te vragen hoe dat dan eigenlijk wetenschappelijk onderzocht zou moeten worden. Die realiteitszucht blijkt ook in de politiek, waar vooral geluisterd wordt naar harde cijfers en rapporten, de echte man in de straat of de politicus die zegt waar het op staat.

De komst van internet en de opmars van technologie in het algemeen heeft vanzelfsprekend een grote invloed gehad op deze lust for live. De vertragende en verhalende invloed die het Polygoon-journaal eertijds had op de realiteit van ons nieuws, is voor de hedendaagse nieuwsconsument moeilijk te bevatten. De nieuwsbron Nu.nl vat de huidige tijdgeest perfect samen.

De Franse filosoof Alain Finkielkraut betreurt het „dat de werkelijkheid overgebracht en thuisbezorgd wordt, rechtstreeks of, zoals men tegenwoordig zegt, realtime”. Hij schrijft dit in het zojuist in Nederlandse vertaling verschenen Een intelligent hart. Waar, volgens Finkielkraut, de schoolmeester met zijn verhalen het vermogen had voor het kind „deuren te ontgrendelen, vensters open te zetten, de kinderen weg te rukken uit de eentonigheid van hun kleine thuis”, daar stuit hij „voortaan op de spottende onverschilligheid of de suffe voldaanheid van de televisieblik”.

Finkielkraut gaat in Een intelligent hart tegen deze blik in. Aan de hand van romans van onder meer Kundera, Conrad, Roth en Camus laat hij zien dat de fictie van de literatuur een echtheid van het leven kan tonen, waar de wetenschap en onze ‘functionele intelligentie’ blind voor zijn. De ficties van de kunst behoren, volgens Finkielkraut „niet tot de categorie van het nuttige. Als we de waarde ervan willen beoordelen, moeten we ons dus niet afvragen waartoe het voor ons van nut kan zijn, maar van welk denkautomatisme het ons bevrijdt.”

Zo is Albert Camus (1913-1960) er volgens Finkielkraut in geslaagd om met diens postume roman De eerste man af te rekenen met het denkautomatisme van de twintigste eeuw dat de geschiedenis gemaakt wordt door alleen mensen. „De menselijke aard beperkt zich niet tot de menselijke mechanismen, tot de opeenvolging van culturele codes of de verscheidenheid van maatschappelijke vormen.”

Finkielkrauts pleidooi voor de roman is een gewaagde exercitie in een tijd waarin literatuur vooral op amusementswaarde wordt beoordeeld. Niet dat het van mij niet leuk zou mogen zijn, een boek lezen, maar het is wel heel jammer dat we de roman of het verhaal nauwelijks nog serieus nemen als bron van wijsheid voor het leven. Als we de complexe en vaak persoonlijke aard van bijvoorbeeld liefde, verdriet, familierelaties, racisme of geluk willen doorgronden dan stuiten we met literatuur op hardere feiten dan met welk wetenschappelijk onderzoek dan ook.

Wetenschap loopt naar haar aard achter de feiten aan. De wetenschapper bestudeert namelijk feiten, en dus zou zij haar werk niet goed doen als zij deze probeert voor te blijven. Wetenschap werkt om die reden met de zogeheten methode van de falsificatie, die maakt dat iedere wetenschappelijke theorie ruimte moet laten voor het weerleggen van diezelfde theorie. Het is een tamelijk trage geschiedenis dus, die ons de weergaloze technologie heeft gebracht, die ons vandaag de dag in staat stelt ons liefje ieder moment van de dag overal ter wereld te kunnen bereiken. Alleen de liefde is daarmee nog niet begrepen natuurlijk.

Niet alleen in de wetenschap maar ook in het alledaagse leven lopen we natuurlijk toch achter de feiten aan. En juist daarom hebben we het verhaal nodig. Een mens moet iedere dag opnieuw, hoeveel wetenschap hem ook omringt, handelen en beslissen zonder dat hij weet waar het eindigt. Deze omgang met het ongewisse kunnen we door de eenmaligheid van het leven nooit echt oefenen, behalve in de vorm van verhalen over het leven. De roman is net als mijn Portugese ‘broer’ in staat een reflectie op gang te brengen op onze gevoelens en waarderingen van de echte wereld.

De Duitse filosoof Hans Vaihinger (1852-1933) ging nog verder met zijn Philosophie des Alsob. Volgens deze ‘filosofie van het alsof’ bestaat de echte wereld zelfs niet eens zonder inbreng van de fictie. Geen feit kan zonder de verbeelding tot stand komen, schrijft Vaihinger. Zowel het feit als de fictie zijn constructies van de menselijke geest. En hij heeft natuurlijk gelijk. We zijn zo gewend aan de ideeën van de wetenschap, dat we haast vergeten dat nog nooit iemand echt een dinosaurus zag.

Coen Simon is schrijver en filosoof. Onlangs verscheen van zijn hand ‘Zo begint iedere ziener – Een filosofische ontdekking van de wereld’. (Prometheus)

Een intelligent hart. Hoe romans je helpen in het leven, Alain Finkielkraut, Uitgeverij Contact, vertaling Frans de Haan, € 24,95