Boodschappenlijst in gortdroog Nederlands

De Troonrede is telkens weer voer voor taalkundigen. Kan het anders, beter, korter, persoonlijker?

Zadel voortaan liever de minister-president ermee op.

Geen goede grap. Geen goede metafoor. Geen goede uitsmijter. De Troonrede die koningin Beatrix gistermiddag in de Ridderzaal uitsprak, spotte opnieuw met alle wetten van een goede toespraak. Het was, zoals gebruikelijk, een oefening in uitzitten. En ondanks de demissionaire status van het kabinet was het ook nog een langere zit dan vorig jaar, want de koningin had meer woorden nodig.

Al die woorden hebben niet geleid tot een vlammend betoog waar nog lang over zal worden nagepraat. Maar de grondwettelijk vastgelegde jaarlijkse „uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid” is dan ook geen toespraak. Het is een optelsom van Haags beleid. Met de bij Haags beleid behorende taal. En dus gingen veel woorden van de Troonrede, net als in voorgaande jaren, weer over de hoofden heen van de honderdduizenden mensen thuis voor hun tv-toestel. Zij hoorden niets, maar zagen daardoor wellicht de hoeden en uitdrukkingsloze gezichten van de gasten in de zaal des te meer.

De Troonrede. Het is altijd weer een ingewikkelde exercitie. Diverse keren is geopperd er iets sprankelends van te maken, iets wat beklijft. Even zo vaak bleef het steken in goede bedoelingen.

De Nederlandse politiek is één groot compromis en dus is de Troonrede dat ook. De traditionele pracht en praal die samengaat met Prinsjesdag blijft zodoende omgekeerd evenredig aan de gortdroge taal waarmee de jaarlijkse departementale boodschappenlijst wordt verkondigd.

Kan het echt niet anders? Zes jaar geleden stelde toenmalig PvdA-leider Wouter Bos aan de vooravond van Prinsjesdag voor van de Troonrede een wat persoonlijker verhaal van de koningin te maken. Veel van het beleid raakte in de weken voor Prinsjesdag toch al bekend en daarom was er alle ruimte voor iets eigens van het staatshoofd, luidde zijn redenering.

Collega-politici sabelden Bos’ idee onmiddellijk neer. „Als de koningin op Prinsjesdag een persoonlijk verhaal zou houden, wordt zij onderwerp van discussie. Daarmee loop je uiteindelijk het risico dat je de positie van het koningshuis ondergraaft”, oordeelde Maxime Verhagen, ook in 2004 fractieleider van het CDA.

Ministers, verantwoordelijk voor de tekst van de Troonrede, worstelen zelf ook regelmatig met doel en vorm. Voor het boek Koningin Beatrix aan het woord (2005) raadpleegden wetenschappers van de Universiteit Nijmegen ministerraadnotulen uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Afgezien van pogingen van individuele ministers om sommige zaken mooier of juist minder optimistisch voor te stellen, ontdekten zij dat in 1984 premier Ruud Lubbers en minister van Verkeer Neelie Kroes van mening verschilden over de vraag voor wie de Troonrede eigenlijk was bedoeld. Kroes vond dat deze bestemd was voor bevolking én parlement. Maar Lubbers zei: „De Troonrede is een presentatie van het beleid, vooral bestemd voor de mensen in het land.” Of hij daar ook naar gehandeld heeft? De onderzoekers stellen eufemistisch dat de elf Troonredes waarvoor Lubbers verantwoordelijk was niet altijd uitblonken in helderheid.

Dat is ook de ervaring van Peter Smulders, directeur van het Genootschap Onze Taal. Sinds 1987 is de taaladviesdienst van het Genootschap betrokken bij de eindredactie van de Troonrede. De taaldeskundigen wijzen op zaken als kromme zinnen en verkeerde grammaticale constructies. Hij heeft echter niet kunnen voorkomen dat Lubbers de koningin vaagheden als „uitgezette hoofdlijnen” of „een fundament dat moet worden gelegd” liet uitspreken.

Onder premier Balkenende is het weer anders geworden. Hij bemoeit zich minder direct met de Troonrede dan zijn voorgangers. Bovendien bedient Balkenende zich van een speciale tekstschrijver van zijn departement. Dat heeft er volgens Smulders toe geleid dat de Troonrede vergeleken met vroeger minder opsommerig is. Soms is er ook een zekere thematische aanpak in te herkennen. En: de gemiddelde lengte is ten opzichte van tien jaar geleden aanzienlijk bekort.

Blijft de vraag of het allemaal nog eenvoudiger en korter moet. Nee, scheef taaldeskundige Jaap de Jong twee jaar geleden in Onze Taal. „Schraalheid en kaalslag liggen op de loer. Is een tekst van duizend woorden, met een gemiddelde zinslengte van acht woorden van gemiddeld twee lettergrepen, dan het ideaal? De Troonrede in Nijntje-taal? Een Troonrede is geen bedverhaaltje. Als we één keer per jaar de entourage intact willen houden met optocht en uniformen, ons eigen Ascot op het Binnenhof, dan mag de taal toch ook een iets minder alledaagse toon en kleur hebben?”

Maar nog belangrijker is dat het niet kan. Een meer bevlogen, oftewel visionaire, Troonrede is een politieke Troonrede. Daar kan het niet-gekozen staatshoofd dat boven de partijen dient te staan niet mee worden opgezadeld.

Dat was de denkfout die Wouter Bos zes jaar geleden maakte toen hij vroeg om een persoonlijker verhaal van de koningin. Er is een persoonlijker verhaal van het kabinet nodig. Dat betekent dat niet de koningin de Troonrede moet voorlezen, maar de minister-president de kabinetsrede.

Mark Kranenburg is politiek redacteur van NRC Handelsblad.