Beter vooruitzicht dankzij de economie

VVD-leider Mark Rutte, formeel nog even leider van de grootste oppositiepartij, was gistermiddag lovend over de maatregelen die het overgebleven demissionaire kabinet van CDA en ChristenUnie aankondigde. Van de 18 miljard euro die een volgend kabinet wil bezuinigen is nu nog maar 16 miljard nodig, was zijn redenering. Het vertrekkende kabinet heeft immers op de valreep nog voor een paar stevige saneringen in de overheidsfinanciën gekozen.

In de berekening van de inkomenseffecten worden lang niet alle maatregelen meegenomen. Maar zelfs dan is het voor het eerst sinds begin jaren tachtig dat de koopkracht van een alleenverdiener met een modaal inkomen en kinderen er voor het tweede jaar op rij op achteruit gaat.

Ombuigingen en inkomensdalingen eisen bijna vanzelfsprekend de aandacht op in de Haagse politieke arena. Toch komt het grootste deel van de verbetering van de overheidsfinanciën op het conto van de economie zelf. De bezuinigingen houden vooral de uitgaven onder controle. De inkomsten stijgen in 2011 naar verwachting met maar liefst 11 miljard euro naar 225 miljard euro. Dát maakt het leeuwendeel uit van de terugdringing van het begrotingstekort. De economie groeit dit jaar met 1,75 procent en volgend jaar met 1,5 procent. Dat vertaalt zich in forse hogere inkomsten uit belastingen.

Het vertrekkende kabinet kent meer meevallers waarin de politiek geen rol van betekenis speelt. De gasbaten vallen volgend jaar een dikke 2 miljard euro hoger uit en de rentelasten vallen mee door de sterk gedaalde rente. In zekere zin stuiteren de overheidsfinanciën bijna net zo hard op als dat ze eerst gevallen zijn. De laatste twee jaar kampte het Rijk juist met ingrijpend dalende belastinginkomsten en gasbaten.

De Troonrede en de jaarlijkse economische analyse van het Centraal Planbureau (CPB) gaven een opvallend tegenstrijdig signaal over de loonontwikkeling in Nederland. In de Troonrede werd expliciet gesproken over „ons relatief hoge loonkostenniveau”. Die uitspraak zou wel eens een functie kunnen hebben: de natie klaar maken voor overheidsingrepen, bijvoorbeeld een loonmaatregel. Het CPB neemt echter in zijn analyse ruim de tijd om te beargumenteren dat de arbeidskosten in de industrie sinds 2000 nauwelijks zijn gestegen. Ergo: er is geen sprake van een slechte concurrentiepositie waardoor loonbevriezingen of verlagingen verantwoord zouden zijn. Sterker, de economen uit Scheveningen constateren dat de arbeidskosten in Zuid-Europa veel harder zijn gestegen dan in Noord-Europa. Dat moet ongedaan worden gemaakt en dat kan door een kostendaling in Zuid-Europa, door een kostenstijging in Noord-Europa of een combinatie. Hoezo lagere lonen, vraagt het CPB zich in bedekte termen af. En het toekomstige kabinet krijgt ook een waarschuwing: volgend jaar is de economische groei lager dan dit jaar. Voor een groot deel is dat het gevolg van bezuinigingen. „Een snellere teruggang zet het herstel onnodig onder druk.” Het hoeft geen verrassing te zijn als Rutte momenteel in Scheveningen te horen krijgt dat minder dan 16 miljard euro bezuinigingen in één kabinetsperiode misschien ook wel kan.