Voortdurend op zoek naar rotsen en grote risico's

Sportklimmen is niet iets voor freaks, het is topsport, vindt de Nederlandse klimmer Jorg Verhoeven.

En het aantal beoefenaars van de sport groeit.

„Nee, ik ben geen Spiderman, ik beklim geen gebouwen en heb nooit bovenop de Mount Everest gestaan”, zegt wedstrijdklimmer Jorg Verhoeven een tikje geërgerd voordat hij een vraag krijgt voorgelegd. „Sorry, maar Nederlandse journalisten en de meeste Nederlanders zien sportklimmen meestal als iets geks voor freaks. Maar wedstrijdklimmen is topsport.”

Verhoeven won in 2008 als enige Nederlander in de historie de wereldbeker leadklimmen, de sportklimdiscipline waarbij klimmers op een klimwand een route van ongeveer twintig meter hoog afleggen. De klimmer die het hoogst eindigt, wint. Na een langdurige blessure aan zijn vinger deed Verhoeven vorige week mee aan het EK in het Oostenrijkse Imst. In de halve finale werd hij uitgeschakeld.

In zijn appartement in het centrum van Innsbruck zegt Verhoeven dat hij er „goed de pest over in heeft” dat hij de finale niet heeft bereikt. „Het is moeilijk om terug te komen op mijn oude niveau en mijn vinger werkt voorlopig slechts voor 90 procent.” Overbelasting was de oorzaak, een ontstoken peesschede. „Sportklimmen is agressief voor je vingers. Anderhalf jaar heb ik last gehad van die vinger, maar toen ging het niet langer.” Tweemaal kreeg hij cortison in zijn vinger gespoten en vervolgens duurde het zeven maanden voordat hij weer optimaal mocht trainen. Pas vanaf april kon hij zich voorbereiden op dit seizoen en het EK.

Het was niet de eerste klimblessure. Toen hij op zijn achttiende, direct na zijn eindexamen, uit Nederland vertrok om te gaan rotsklimmen in Italië kwam hij na een val verkeerd terecht. Daarbij brak hij een paar middenvoetsbeentjes. Op dat moment leefde Verhoeven in een grot in een klimgebied in Italië zodat hij elke dag kon klimmen. „Ik had een kleine grot ontdekt en daar heb ik mijn matje neergelegd, het werd mijn thuisgrotje.” Ondanks zijn gebroken middenvoetsbeentjes, ging Verhoeven door met klimmen. „Rotsklimmen kan ook met één been. Natuurlijk deed dat pijn, maar niet klimmen is erger”, zegt hij nuchter.

Verhoeven erkent dat het sportklimmen in Nederland professioneler is geworden. „In de breedte gegroeid. Er is een Nederlands team bestaande uit goede jeugdige klimmers en er is een bondscoach.” Maar ook in andere landen wordt het sportklimmen steeds groter. De IFSC (International Federation of Sport Climbing) wil dan ook dat de sport, die dit jaar de olympische status heeft verkregen, olympisch wordt. Daar is Verhoeven, die zelf actief is voor de atletencommissie van de IFSC, niet per se voor. „In veel landen zouden klimmers meer erkenning krijgen wanneer de sport olympisch wordt, maar voor mij persoonlijk hoeft het niet. Ik heb de A-status van sportkoepel NOC*NSF en de NKBV (Nederlandse Klim- en Bergsport Vereniging) betaalt mijn wedstrijdreizen en trainingsfaciliteiten. En de sport op zich redt zich prima, daar hebben wij de olympische familie niet voor nodig.”

De sport is er nog niet klaar voor. „De bobo’s willen dat sportklimmen olympisch wordt, maar sommige wedstrijden worden nog belabberd georganiseerd.” Om een voorbeeld te geven, haalt Verhoeven de isolatieruimte aan waar klimmers voor hun wedstrijden moeten verblijven omdat ze de klimwand van tevoren niet mogen zien. „Dat moet een fijne ruimte zijn. Het komt namelijk wel eens voor dat we daar twaalf uur zitten opgesloten omdat het bijvoorbeeld regent en we moeten wachten tot het droog is. Soms is het een koud hol zonder eten, zonder ramen en zonder stroom. Belachelijk.”

Toen Verhoeven uit Nederland vertrok op zijn achttiende, liftte hij door Europa. Via Italië, Frankrijk en België kwam hij in Oostenrijk terecht. „Innsbruck is de metropool voor klimmers. De groep gemotiveerde klimmers is hier groot en de klimwereld is open. Dat geeft een geweldig gevoel.” Dat die wereld open is, blijkt wel uit het feit dat veel klimmers het huis van Verhoeven als hotel gebruiken. Hij stelt zijn logeerkamer en slaapbank graag ter beschikking. „Pas nog zaten we hier met zeven verschillende nationaliteiten; Katha (zijn vriendin Katharina Saurwein, die ook wedstrijdklimmer is) en ik komen respectievelijk uit Oostenrijk en Nederland, en er waren klimmers uit Japan, Canada, Amerika, Frankrijk en Italië.”

In Oostenrijk ontmoette Verhoeven zijn huidige vriendin Saurwein weer, die hij nog kende van jeugdwedstrijden. „Zij trainde schematisch en was daardoor verschrikkelijk sterk geworden. Dat verraste me. De manier waarop zij trainde, hielp dus echt. Dat wilde ik ook. Toen is het snel gegaan. Ik heb gezegd: ‘Ik ben nu een professionele klimmer en ga het professioneel aanpakken!’

Twintig uur in de week traint Verhoeven. Doordat hij weinig tijd kwijt is aan zijn studie geologie kan hij veel tijd aan het rotsklimmen besteden. „Rotsklimmen en wedstrijdklimmen vullen elkaar aan. Ik heb beide nodig.” De ideale voorbereiding op een klimseizoen zou bestaan uit vijf maanden trainen in de klimhal, maar dat is volgens hem onmogelijk. „Je moet ergens je motivatie vandaan halen. Die haal ik uit rotsklimmen. Dat is topsport en nog in een prachtige natuurlijke entourage.”

Het liefst gaat Verhoeven met vrienden op zoek naar rotsen waar nog nooit iemand heeft geklommen. „De zoektocht naar nieuw land blijft voor elke klimmer leuk.” Het maakt hem niet uit of het om een ingewikkeld te beklimmen rots van vijf meter hoog gaat of om rotsen van duizend meter. „Soms duurt het maanden voordat je een rots kunt beklimmen. Eerst ga je op zoek naar de ideale lijn en grepen. Als je de juiste route hebt gevonden, moet je nog sterk genoeg zijn om die te beklimmen. Soms zit een klimmer een dag op zijn matje om twee passen hoger te komen en drie keer in de week keert hij terug naar die ene rots. Dat klinkt abstract voor een normaal mens, maar dat is de passie van klimmers.”

Het wedstrijdklimmen is veilig, maar op hoge rotsen is het soms levensgevaarlijk. „Er bestaan geen touwen van vijfhonderd meter om te zekeren. Dan moet je dus samen klimmen. De ene klimmer klimt omhoog en maakt zichzelf vast aan de rots, vervolgens klimt de andere daar voorbij en die maakt zich daarboven vast. Zo zeker je elkaar.” Maar hoog in de rotsen zitten vaak geen haken om je aan vast te maken. „Dan slaan we die zelf in de rots. We gebruiken er echter zo min mogelijk, dat geeft een kick. Dat brengt risico’s met zich mee en we hebben te maken met het gevaar van steenslag en lawines. Hoe verder je weggaat van het wedstrijdklimmen des te gevaarlijker het wordt. Maar je moet grenzen trekken. Je wilt alles doen, maar sommige dingen zijn te gevaarlijk. Ik probeer een grens aan te houden. Maar eerlijk gezegd blijven extreme beklimmingen lokken.”