Reptiel van grijs nepbont

In Rotterdam zijn vanaf morgen vijf levensgrote Pterosaurusmodellen te zien.

Gebaseerd op de nieuwste wetenschappelijke inzichten. En een beetje fantasie.

Het vliegende reptiel heeft de spanwijdte van een jachtvliegtuig. Vleermuisvleugels steken opzij uit zijn pluizige knuffeldierromp. Vooruit steekt een giraffennek met een vogelkop, een hanenkam en een puntige snavel.

Levensgrote modellen van pterosaurussen, vliegende reptielen uit de tijd van de dinosaurussen, zijn vanaf morgen te zien op een tentoonstelling in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Samen met de mooiste van de 5 tot 6.000 bekende pterosaurusfossielen uit landen als Duitsland, China en Brazilië.

Dwars aan het plafond passen drie vliegende exemplaren net in een forse tentoonstellingszaal. Een andere zit op de grond, de vleugels opgevouwen, en steekt zijn giraffennek door een raam naar buiten.

In de modellen zijn de jongste wetenschappelijke inzichten verwerkt, maar bij hun reconstructie spelen ook de fantasie en praktische beperkingen een rol.

Neem de ietwat bloeddoorlopen ogen. „Om geld te besparen hebben we ze gemaakt van bolvormige afsluitstukken van een gordijnroede”, vertelt pterosaurusbouwer Bob Loveridge (Universiteit van Portsmouth). „Bij een doe-het-zelfzaak hebben we er na wat afdingen 2,50 euro per stuk voor betaald. De verf die we erop smeerden was nog duurder. We wilden ogen die er anders uitzagen dan de ogen van dinosaurussen die we eerder hebben gemaakt. Die hadden een spleetvormige pupil. Daarom hebben we uit een reeks van reptielenogen dit keer die van een varaan gekozen.”

De vijf pterosaurussen – eerder tentoongesteld in Londen – zijn uitgerust met grijs nepbont, aangeschaft via internet en aangeleverd op dikke tapijtrollen. „Dat deze dieren pluizig haar op hun lijf hadden, is wetenschappelijk goed onderbouwd”, vertelt Loveridge. „Structuren die op haren lijken, zijn op verschillende fossielen gevonden.”

Een fabrikant van hovercrafts ontwierp en maakte de metaalconstructies in het binnenste van de pterosaurussen. De niet-vliegende modellen zitten harkerig ingevouwen op de grond, hun pootzolen plat op vloer. „Voor de manier van voortbewegen van pterosaurussen leveren gefossiliseerde sporen overtuigend bewijs”, zegt Loveridge. Hij buigt voorover en klapt zijn handen naar achteren om te laten zien hoe stuntelig de dieren liepen.

Voor de meeste controverse zorgden de kleuren. De grote modellen in Rotterdam (van de pterosaurus Quetzalcoatlus, het grootste vliegende dier dat ooit leefde) zijn overwegend grijs. Hun oranje poten springen in het oog. De onderkant van de vleugels is soms zwart en soms bruin. „Het bruine materiaal vonden we het meest geschikt”, vertelt Loveridge. „Het oogt een beetje als de huid van een krokodil, maar we hadden niet genoeg materiaal om alle vleugels ervan te maken.”

Vijftien koppen van andere pterosaurussen, gemaakt door de Nederlander Erwin Meerman, zijn juist wel kleurrijk. Wat Loveridge betreft, hadden ook de modellen van Quetzalcoatlus wel wat kleurrijker gemogen. „Het ligt voor de hand dat deze dieren de kammen op hun kop gebruikten om mee te pronken”, vertelt hij. „Maar ja, we wisten ook dat Mark Witton [de wetenschapper en kunstenaar die de leiding had over het ontwerp, red.] terughoudend is met felle kleuren. Witton heeft me uitgelegd dat een uitbundig gekleurde pterosaurus te veel zou opvallen. Maar ik vraag me af of ze als roofdieren aan de top van de voedselketen erg veel te vrezen hadden.”

En wat vrat hij dan, deze ontzagwekkende vliegende rover? Een van de pterosaurussen in Rotterdam houdt een jonge dinosaurus in de bek. „Zo’n babydinosaurus was in werkelijkheid te groot om door te kunnen slikken”, erkent Loveridge desgevraagd. „Hij had niet door zijn smalle nek gepast. Aan de andere kant: een veel kleinere dinosaurus was het publiek nauwelijks opgevallen.”

Misschien waren pterosaurussen sterk genoeg om een eenmaal gevangen grote prooi in behapbare brokken uiteen te scheuren. Hoe dan ook, zegt Loveridge: „Zo’n tentoonstelling moet je maken met gevoel voor dramatiek.”