'Ik Jan Cremer' onder de hamer

Schrijver Jan Cremer brengt het manuscript van zijn bestsellerdebuut ter veiling. Het stuk moet natuurlijk een recordbedrag opbrengen.

Jan Cremer spreekt van „ballast die overboord moet”. De verkoper noemt het „een van de kroonjuwelen van de Nederlandse cultuur”. Zaterdag 2 oktober veilt Adams Amsterdam Auctions het manuscript van Ik Jan Cremer, de legendarische schelmenroman uit 1964, waarvan wereldwijd 12 miljoen exemplaren zijn verkocht. De 227 enkelzijdig getypte bladen, de omslagontwerpen plus de vooraf door Cremer bedachte publiciteitscampagne moeten ten minste 200.000 euro opleveren – een recordbedrag voor een Nederlands manuscript.

Veilinghouder Piet van Winden is door de aanstaande verkoop van zijn geloof gevallen. Met zijn vroegere antiquariaat AioloZ maakte hij naam als Reviaan; hij verkocht haren, teennagels en een verstandskies van ‘volksschrijver’ Gerard Reve. Maar na de aankondiging van de Ik Jan Cremer-veiling ontdekte Van Winden deze week wie de ware volksheld is.

De schilders en loodgieters die in zijn Amsterdamse grachtenpand bezig zijn, hebben nog nooit van Reve gehoord. Maar Jan Cremer kennen ze wel, zegt Van Winden. „Cremer is een cultureel fenomeen dat iedereen beroerd heeft. Hij hoort thuis in het rijtje Michiel de Ruyter en Johan Cruijff.”

De veiling van het Cremer-manuscript is het hoogtepunt van de derde veiling die Adams organiseert. In de catalogus beschrijft journalist Onno Blom hoe Jan Cremer het burgerlijke en bedaagde Nederland in de jaren zestig wakker schudde met zijn openhartige levensverhaal, door W.F. Hermans eens gekarakteriseerd als „een bandeloze ontploffing tussen autobiografie en mythomanie”.

Als schilder had Cremer op zijn twintigste al naam gemaakt met zijn bravoure. Hij bood een groot schilderij te koop aan voor 1 miljoen gulden en joeg kunstliefhebbers op de kast door in een televisie-interview te veinzen zijn klassiekers niet te kennen. „Rembrandt, wie is dat? Ik heb geen verstand van sport.”

Vervolg Jan Cremer: pagina 9

Cremer maakte bestseller van zijn boek

Maar die acties vallen in het niet bij de marketingacties waarmee de jonge schrijver zijn eerste boek promootte. Bij het manuscript dat Cremer nu te koop aanbiedt, zit een afschrift van een lange brief die hij ver vóór publicatie ‘onder strikte geheimhouding’ stuurde aan Geert Lubberhuizen, de directeur van uitgeverij De Bezige Bij.

Om zijn imago als woest beest, kunstvijand nummer 1 en revolverjournalist blijvend te vestigen, had Cremer een publiciteitsoffensief bedacht met vijftien uitgewerkte punten, variërend van een nieuwjaarskaartencampagne tot een reeks ‘heldendaden en schandalen’. Spil van de campagne, dicteerde de 23-jarige debutant, moest de omslagfoto van zijn boek worden: de auteur in spijkerpak, gezeten op een Harley Davidson. Die foto moest in alle uitingen zichtbaar zijn.

De campagne bleek ongekend succesvol. Direct na verschijnen van de roman brak de hel los met opgewonden recensies, Kamervragen en een rechtszaak. Zo oordeelde J. van Doorne, de criticus van Trouw, dat „de auteur in een kliniek of tuchthuis thuishoort”.

Cremer, die na het verschijnen van zijn boek wekelijks pakjes met maandverband en drollen kreeg thuisgestuurd, zal in zijn handen hebben geknepen bij die afkeurende recensies. De schrijver had er op aangestuurd, blijkt uit een brief aan zijn uitgever: „In de christelijke en katholieke pers (...) moet een afkeurende houding tegenover IJC worden gegeven, bij voorkeur moet IJC op de zgn zwarte lijst geplaatst worden. Dit stimuleert de verkoop!”

Eind 1964 had De Bezige Bij al 150.000 exemplaren van Ik Jan Cremer verkocht. De befaamde ‘blurb’ op het door Cremer zelf ontworpen omslag – ’n onverbiddelijke BESTSELLER, nog voor er ook maar één exemplaar was verkocht – bleek bewaarheid.

Het definitieve omslagontwerp ontbreekt overigens bij het veilingaanbod. Dat verkocht de inmiddels 70-jarige schrijver eerder deze maand aan het Rijksmuseum Amsterdam. Directeur Wim Pijbes noemde het omslag bij de feestelijke overhandiging „een icoon in de Nederlandse cultuurgeschiedenis, een ijkpunt in de verandering van mentaliteit van de jaren vijftig naar die van de jaren zestig”.

Het opvallendste aan het typoscript, concludeert Blom, zijn de geschrapte passages. Enkele expliciet seksuele passages zijn verwijderd. In het begin van het boek zijn nogal wat passages geschrapt, schrijft Blom, die als ‘fout’ of ‘antisemitisch’ hadden kunnen worden beschouwd door lezers „zonder oog voor ironie”.

Cremer verdiende aan 12 miljoen exemplaren „net genoeg om in leven te blijven”, laat hij weten. „Als mijn uitgevers de twaalf apostelen waren geweest of Jezus Christus in eigen persoon, alleen dan was ik nu rijk geweest.”

Veilinghuis Adams taxeert de opbrengst van het manuscript op 200.000 tot 250.000 euro. Dat zou een recordopbrengst voor een twintigste-eeuws manuscript zijn. Het tot nu toe duurste Nederlandse handschrift is dat van De Avonden, dat in 1996 voor 160.000 gulden (72.000 euro) werd aangekocht door het Letterkundig Museum in Den Haag.

Veilingmeester Van Winden wijst op de miljoenenopbrengsten voor handschriften van Baudelaire, Kafka en andere buitenlandse auteurs van naam. „Twee ton voor de Victory Boogie Woogie van de Nederlandse literatuur is een schijntje.”

Na de veiling organiseert Van Winden een tentoonstelling over Jan Cremer. „Zijn leven is als een stripverhaal. Wie had er een verhouding met een seksbom als Jayne Mansfield en zat aan tafel met mensen als Andy Warhol en Bob Dylan?” De expositie zal eind dit jaar opengaan op de Avenue des Champs-Élysées in Parijs.

Veiling manuscript ‘Ik Jan Cremer’ 2/10 bij Adams Amsterdam Auctions, Herengracht 386, Amsterdam. Online catalogus op www.adamsamsterdam.com