De risico's horen erbij

Goud is sinds de crisis een populaire belegging.

De arme bevolking van Burkina Faso is aangestoken door de goudkoorts.

Drie mannen met zware, zanderige zakken over de schouders schieten de bosjes in als ze de auto horen aankomen. Ze zijn bang hun buit van een ochtend graven in de mijnschacht kwijt te raken aan een politiecontrole. In het regenseizoen, dat duurt van juni tot oktober, is het in Burkina Faso verboden om op ambachtelijke wijze naar goud te zoeken, omdat het risico op aardverschuivingen en instortingen dan veel te groot is. Maar het edelmetaal lonkt te verleidelijk en menige West-Afrikaanse gouddelver lapt het overheidsverbod aan zijn laars.

Om de groeve te bereiken waar het drietal net vandaan komt, moet je over heuvels van opgegraven zand heen. Het panorama dat zich dan ontvouwt in het uitbundige groen van het regenseizoen doet denken aan een maanlandschap: kaalgeslagen met overal kraters van mijnschachten. Gehak van houwelen komt uit verschillende ervan en af en toe trilt de bodem van de hamerslagen diep onder de grond.

Moussa Guiro en Ousman Sakande takelen aan een touw een jerrycan water uit hun schacht. Ze begonnen die ochtend met leegscheppen en hopen te kunnen graven naar goud voor de volgende regenbui de boel weer onder water zet. Bij het omhoog hijsen laten geregeld grote brokken steen los uit de ongestutte mijnschacht en plonzen in het water.

Nog geen maand geleden verdronk hier een kompel in een ondergelopen mijnschacht. Vlak ervoor kwamen ambtenaren de mijn op die door megafoons het tijdelijk gouddelfverbod over de zandvlakte toeterden. Hebben de twee kompels die officiële boodschap van het ministerie van Mijnen niet gehoord? De 25-jarige Moussa haalt zijn schouders op: „Het goud wacht niet. Ik zoek al drie jaar naar goud, en op een dag zal ik rijk worden. De risico’s horen erbij.”

Zoals de meeste goudzoekers komen de twee van ver weg: uit de Sahel in het noorden van het land. Als ergens in West-Afrika goud wordt gevonden, stort een menigte ambachtelijke gouddelvers zich erop als een zwerm sprinkhanen. Mannen uit de hele regio, van Ghana en Nigeria tot Ivoorkust en Mali, graven schachten tot tientallen meters diep en hakken dan met hun pikhouwelen gangen in de aardlagen met goudaders. De goudzoekers hebben een rebelse reputatie: ze trekken zich van god nog gebod iets aan en in en rond de mijnen heerst het recht van de sterkste.

Tot een jaar of twee geleden was Zegnedougou een slaperig Burkinees dorpje vlak bij het drielandenpunt waar Ivoorkust, Mali en Burkina Faso aan elkaar grenzen. Nu razen goudzoekers op snelle motoren door het dorp en groeide de bevolking die ooit drieduizend koppen telde explosief.

Dat biedt de lokale economie kansen. De prijzen schieten omhoog: omdat mijnwerkers altijd geld hebben, is alles rondom een goudvindplaats duurder. Voor een flesje Guinness dat in de stad 550 West-Afrikaanse franc kost - zo’n 85 eurocent - betaal je hier ineens 700 franc. De gravers, die zich niet zelden moed indrinken voordat ze zich onder de grond begeven, hebben dat er toch wel voor over. Voor een gebraden kippenpoot moeten de delvers zelfs het dubbele neerleggen van de prijs in de stad.

De dorpelingen verdienen aardig aan de toegestroomde mijnwerkersgemeenschap. Voor honderd CFA doen lokale vrouwen de was voor de mijnwerkers. Tegen betaling brengen ze water en hout naar de plek waar ze neerstreken. Goede sprokkelaars verdienden al genoeg voor het schoolgeld van hun kinderen, en her en der in het dorp hebben vrouwen met deze extra inkomsten hun lemen hut vervangen voor een steviger stenen bouwwerk.

De lokale bevolking hechtte voorheen weinig waarde aan het edelmetaal en wijdde zich liever aan de landbouw, maar nu de goudprijs zo is gestegen zet ook zij de eerste stappen in de goudhandel. Bema Ouattara, geboren en getogen in Zegnedougou, noemt zich sinds twee maanden inkoper: „De regen bleef uit en de akkers brachten te weinig op. Op zoek naar een beter leven besloot ik toen maar in het goud te gaan.”

De oude man wiebelt in een hangmat onder een rieten dak, aan een kunststof touw boven hem bungelt de Nokia waarmee hij de goudprijzen nabelt als een van de delvers zijn vondsten komt aanbieden. Zijn hut bouwde hij strategisch bij de ingang van het terrein waar de delvers de uitgebikte brokstukken tot fijn gruis malen en het goud eruit wassen.

Volgens Ouattara is het hoog tijd dat de dorpelingen zich met het goud gaan bemoeien. „Zo kan het dorp ook profiteren van de rijkdom van de bodem.” Bovendien kunnen de bewoners zo de rebelse goudzoekers nog een beetje in toom houden. Zo dwongen de dorpelingen af dat de molens die de steen vergruizen verhuisden naar buiten de stadsgrenzen, want ze werden gek van het gestamp en gemaal de hele dag. Nu probeert Ouattara met de delvers af te spreken dat voor iedere boom die ze rooien elders een nieuwe wordt geplant. „Zodat er nog woud over is als ze straks vertrekken omdat het goud op is.”

Op een ochtend rijden van de goudmijn ligt Bobo-Dioulasso, de tweede stad van het land. Daar overlegt edelsmid Mohamed Touré net met een klant over de zetting van haar nieuwe ring. Een zilveren sieraad, wel te verstaan: goud is voor de meeste Burkinezen veel te duur.

De edelsmid verkocht twee jaar geleden nog goud voor 9.000 franc per gram, terwijl de dagprijs nu 18.500 franc bedraagt. „Mijn klanten begrijpen dat niet en zeggen: dat goud is toch van ons, Burkina Faso heeft er toch een overdaad van? Dan leg ik uit dat het de buitenlanders zijn die de markt beheersen.”

De inkopers rond de goudmijnen zijn vaak ingehuurd door westerse partijen. Die kijken niet zo nauw op zuiverheid van het edelmetaal maar kopen zoveel mogelijk op. De kritische lokale edelsmeden die een goede kwaliteit nodig hebben, hebben zo het nakijken, verzucht Touré: „De vraag naar goud in het buitenland is enorm gestegen, daarom zijn de prijzen zo hoog. Het meeste Burkinese goud verdwijnt naar Europa. Het is steeds moeilijker ons vak uit te oefenen. Ik heb zelfs collega’s die het sieraden maken vaarwel hebben gezegd en zich alleen nog maar op de goudinkoop richten. Veel lucratiever.”