Boodschappenlijst in gortdroog Nederlands

De Troonrede is telkens weer voer voor exegeten en taalkundigen. Kan dat anders, beter, korter? „Een Troonrede is geen bedverhaaltje.”

Geen goede grap. Geen goede metafoor. Geen goede uitsmijter. De Troonrede die koningin Beatrix vanmiddag in de Ridderzaal uitsprak, spotte opnieuw met alle wetten van een goede toespraak. Het was, zoals gebruikelijk, een oefening in uitzitten. En ondanks de demissionaire status van het kabinet was het ook nog een langere zit dan vorig jaar, want de koningin had meer woorden nodig.

Al die woorden hebben niet geleid tot een vlammend betoog waar nog lang over zal worden nagepraat. De grondwettelijk vastgelegde jaarlijkse „uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid” is dan ook geen toespraak. Het is een optelsom van Haags beleid. Met de bij Haags beleid behorende taal. En dus gingen veel woorden van de Troonrede, net als in voorgaande jaren, weer over de hoofden heen van de honderdduizenden mensen thuis voor hun tv-toestel. Zij hoorden niets, maar zagen daardoor de hoeden en uitdrukkingsloze gezichten van de gasten in de zaal des te meer.

De Troonrede. Het is altijd weer een ingewikkelde exercitie. „Een tekst die de klassieke definitie van een kameel in herinnering roept: een paard ontworpen door een commissie”, concludeerde het tijdschrift Onze Taal jaren geleden gelaten.

Diverse keren is geopperd er iets sprankelends van te maken, iets wat beklijft. Even zo vaak bleef het steken in goede bedoelingen.

De Nederlandse politiek is één groot compromis en dus is de Troonrede dat ook. De traditionele pracht en praal die samengaat met Prinsjesdag blijft omgekeerd evenredig aan de gortdroge taal waarmee de jaarlijkse departementale boodschappenlijst wordt verkondigd. Het is nu eenmaal geen State of the Union, zoals de president van de Verenigde Staten die eenmaal per jaar afsteekt. President Obama kon in januari „egoïstische bankiers” aanklagen die „de Amerikaanse samenleving in de waagschaal stelden voor hun eigen gewin”. In de Nederlandse Troonrede blijft, zoals vorig jaar bleek, de analyse beperkt tot de nuchtere constatering dat „ontsporingen in de financiële sector het vertrouwen in instituties en hun bestuurders hebben aangetast”.

Kan het echt niet anders? Zes jaar geleden stelde toenmalig PvdA-leider Wouter Bos aan de vooravond van Prinsjesdag voor van de Troonrede een wat persoonlijker verhaal van de koningin te maken. Een verhaal dat „meer van de koningin is en minder van de regering”, aldus Bos. Veel van het beleid raakte in de weken voor Prinsjesdag toch al bekend en daarom was er alle ruimte voor iets eigens van het staatshoofd, luidde zijn redenering.

Collega-politici sabelden Bos’ idee onmiddellijk neer. „Buitengewoon slecht en onbegrijpelijk'', oordeelde Maxime Verhagen, ook in 2004 fractieleider van het CDA. „Als de koningin op Prinsjesdag een persoonlijk verhaal zou houden, wordt zij onderwerp van discussie. Daarmee loop je uiteindelijk het risico dat je de positie van het koningshuis ondergraaft.”

D66 wees de PvdA-leider op de staatsrechtelijk ingesnoerde positie van de koningin. „Zolang de koningin deel uitmaakt van de regering, spreekt zij in de Troonrede namens de regering”, onderwees toenmalig fractievoorzitter Boris Dittrich van die partij.

Ministers, verantwoordelijk voor de tekst van de Troonrede, worstelen zelf ook regelmatig met doel en vorm. Voor het boek Koningin Beatrix aan het woord (2005) raadpleegden wetenschappers van de universiteit van Nijmegen ministerraadnotulen uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Afgezien van pogingen van individuele ministers om sommige zaken mooier of juist minder optimistisch voor te stellen, ontdekten zij dat in 1984 premier Ruud Lubbers en minister van Verkeer Neelie Kroes van mening verschilden over de vraag voor wie de Troonrede eigenlijk was bedoeld. Kroes vond dat deze bestemd was voor bevolking én parlement. Maar Lubbers zei: „De Troonrede is een presentatie van het beleid, vooral bestemd voor de mensen in het land.” In hun boek stellen de Nijmeegse onderzoekers eufemistisch dat de elf Troonredes waarvoor Lubbers verantwoordelijk was toch niet altijd uitblonken door helderheid.

Dat is ook de ervaring van Peter Smulders, directeur van het Genootschap Onze Taal. Sinds 1987 is de taaladviesdienst van het Genootschap betrokken bij de eindredactie van de Troonrede. De taaldeskundigen wijzen op zaken als kromme zinnen en verkeerde grammaticale constructies. Smulders is er al die jaren bij geweest. Hij heeft niet kunnen voorkomen dat Lubbers de koningin vaagheden als „uitgezette hoofdlijnen” of „een fundament dat moet worden gelegd” liet uitspreken. „Lubbers was iemand die met taal speelde. Hij probeerde altijd onderhandelingsruimte in de Troonrede op te nemen”, zegt Smulders. Dit in tegenstelling tot Lubbers’ opvolger Kok. Smulders: „Die was calvinistischer, strenger, minder wollig.”

Onder premier Balkenende is het weer anders geworden. Hij bemoeit zich minder direct met de Troonrede dan zijn voorgangers. „Het is meer teamwerk van zijn medewerkers van het ministerie van Algemene Zaken geworden”, zegt Smulders. Bovendien bedient Balkenende zich van een speciale tekstschrijver van zijn departement. Dat heeft er volgens Smulders toe geleid dat de Troonrede vergeleken met vroeger minder opsommerig is. Soms is er ook een zekere thematische aanpak in te herkennen. En: de gemiddelde lengte is ten opzichte van tien jaar geleden aanzienlijk bekort.

Blijft de vraag of het allemaal nog eenvoudiger en korter moet. Nee, scheef taaldeskundige Jaap de Jong twee jaar geleden in Onze Taal. „Schraalheid en kaalslag liggen op de loer. Is een tekst van duizend woorden, met een gemiddelde zinslengte van acht woorden van gemiddeld twee lettergrepen, dan het ideaal? De Troonrede in Nijntje-taal? Een Troonrede is geen bedverhaaltje. Als we één keer per jaar de entourage intact willen houden met optocht en uniformen, ons eigen Ascot op het Binnenhof, dan mag de taal toch ook een iets minder alledaagse toon en kleur hebben?”

Doorzoek alle troonredes sinds 1958 op nrc.nl/troonrede