Ben ik nog wel republikeins genoeg?

Den koning van Hispanje heb ik altijd geëerd. Nou ja, altijd, laat ik zeggen: sinds 1981, toen de Spaanse koning Juan Carlos met zijn gezag over het leger een staatsgreep de kop indrukte en de prille democratie redde. Ik heb toen echte eerbied voor de koning opgevat. Hij was door de fascistische dictator Franco op ondemocratische wijze op de troon gezet, maar vervolgens presideerde hij over het nieuwe Spanje als constitutioneel staatshoofd en bewaker van de democratische procedures.

Zo kreeg de bekende regel uit ons volkslied, waarin Willem van Oranje bij hoog en bij laag ontkent dat hij bij de Opstand van 1568 tegen Spanje zijn feodale trouw aan Philips II had geschonden, voor mij ineens een nieuwe betekenis. Ik vraag me overigens af hoeveel voetbalfans die tijdens de WK-finale Nederland-Spanje beleefd de koning van hun tegenstander bezongen, op de hoogte zijn van deze op het eerste gehoor absurdistische regel uit het Wilhelmus.

Hoe dan ook, die koning van Hispanje mag er zijn. Links in Spanje, dat in de jaren dertig een burgeroorlog voerde ter verdediging van de republiek, had reden Juan Carlos toegedaan te zijn – wat niet betekent dat de van oudsher conservatieve Spaanse monarchie ineens links was geworden. En evenmin dat iedereen die deze rol van de koning naar waarde wist te schatten, geen overtuigd republikein meer kon zijn.

Een bovenpartijdige bewaker van het democratische proces zou in beginsel natuurlijk het beste democratisch gekozen kunnen worden. Ik denk dan aan de rol die Nelson Mandela heeft gespeeld in het nieuwe Zuid-Afrika, het morele gezag dat een persoonlijkheid als president Richard von Weizsäcker begin jaren tachtig in de Duitse Bondsrepubliek deed gelden, of de scrupuleuze pogingen van de huidige Italiaanse president Giorgio Napolitano om de rechtsstaat te verdedigen tegen de populistische strapatsen van Berlusconi.

Bij ons is de koningin het plechtanker van de Grondwet – ook principiële republikeinen hebben dat te erkennen. Haar rol van boven de partijen staande staatsinstelling kan zij alleen vervullen als zij gevrijwaard blijft van politieke inkleuring. Wie het staatshoofd voor een politiek karretje wil spannen – of juist in een vijandige politieke hoek wil drukken – zet de regels van de constitutie op het spel en negeert deministeriële verantwoordelijkheid.

Het is goed te bedenken dat de onpartijdigheid van Oranje van tamelijk recente datum is. In de tijd van de Republiek stonden de regenten tegenover het oranjegepeupel en riepen de stadhouders het grauw te hulp. Daarna waren het de patriotten die de Oranjepartij gewapenderhand wilden verjagen. De socialisten, te beginnen bij Domela Nieuwenhuis, maakten koning Gorilla, Willem III, tot mikpunt van hun propaganda en omgekeerd riepen de behoudende krachten de jonge koningin Wilhelmina te hulp toen socialistenleider Troelstra in 1918 zijn mislukte revolutiepoging deed. ‘Links’ riep in het interbellum Prinsjesdag uit tot Rode Dinsdag waarop tegen koning en kapitaal werd betoogd. Communistische Kamerleden schreeuwden in die tijd na het uitspreken van de Troonrede: ‘Weg met de koningin!’ (waarop de overige aanwezigen in de Ridderzaal vervolgens ‘Hoera! Hoera! hoera!’ riepen) In de jaren zestig tartten de provo’s de monarchie, maar stond het grauw, of wel het ‘klootjesvolk’, onder aanvoering van De Telegraaf blind achter Oranje.

De politieke controverses rond de monarchie hebben vandaag de dag plaatsgemaakt voor verschillen in appreciatie die eerder sociaal-cultureel dan politiek van aard zijn. Het koningshuis is misschien te beschaafd voor wat Menno ter Braak de voor populisme gevoelige meute van ‘halfbeschaafden’ noemde.

Waren in de regententijd de ‘hogere standen’ anti-Oranje, nu wordt het vorstenhuis, primair door de PVV, geassocieerd met ‘de elite’, variërend van cultuurdragers, onafhankelijke journalistiek, de publieke omroep, de onafhankelijke rechterlijke macht tot de ‘linkse kerk’ en het koningshuis. Alles wat zich niet op de rug werpt voor het populisme, wordt gesteld tegenover ‘het volk’, uitgesloten uit ‘het volk’, vijandig verklaard aan ‘het volk’, tot het lijkt alsof uitsluitend Telegraaflezers en Wildersstemmers recht hebben zich tot het volk te rekenen.

Elk pleidooi voor ordentelijke procedures in de kabinetsformatie (hoe men ook denkt over de wenselijkheid van een actieve rol van het staatshoofd in dit proces) leidt tot mobilisatie van het grauw. Voor liefhebbers van de kleurenleer: wie de kleuren mengt van VVD, CDA en PVV, krijgt grijs. Deze partijen werken aan het grauwe kabinet. Maar ook als zo’n grauw kabinet er komt, zal het verantwoordelijk zijn voor de bescherming van het staatshoofd tegen pogingen de constitutionele monarchie in een politieke hoek te drukken.

Wat op het spel staat is de feitelijke betekenis van de overtuiging dat de overheid aan fundamentele regels gebonden is en vormen en procedures in acht moet nemen. Dat is geen links-rechts-vraagstuk en evenmin een tegenstelling tussen monarchisten en republikeinen. Het is eerbied voor de vorm.

Vandaag is Prinsjesdag teruggebracht tot de essentie van de vorm. Inhoudelijk heerst de leegte. De koningin opende plechtig de zitting van de Staten-Generaal, maar niets aan de orde zijnde, gingen de leden van de Staten-Generaal huns weegs. De Algemene Politieke Beschouwingen over de rijksbegroting werden uitgesteld. We worden geregeerd door een minderheid op weg naar de uitgang. We leven tijdelijk in een democratisch vacuüm dat hoogstens half zal worden gevuld als er straks een nieuw minderheidskabinet de ingang heeft gevonden.

Het resterende ceremonieel van Prinsjesdag wint in deze situatie eigenlijk alleen maar aan betekenis. Zonder constitutionele formaliteiten is de democratie niet veilig. Zowel het gezag van een democratisch tot stand gekomen meerderheid als de rechten van minderheden zijn afhankelijk van het respect voor de formele kant van het staatsleven.