Alex! Hoe haal je 't in je bolle kop

De donkere hofauto reed in het licht van de opkomende zon de oprijlaan van het paleis af. ‘Thuis’ kon ze dit paleis zelfs na meer dan twintig jaar niet noemen. Het was haar door het rijk bij wet ter beschikking gesteld. Dat klonk als tbs.

Majesteit was schuldig aan eerstegraads koningschap.

Bij de poort stak ze routineus een hand op naar de marechaussees. In tegenstelling tot haar moeder was zij een koningin die wilde dat de paleishekken gesloten bleven.

Terwijl ze door Bezuidenhout reden, stak ze haar tweede sigaret van de dag op en liet het raampje een paar centimeter zakken. Ze nam een slok koffie uit de thermosbeker voor haar in het houdertje. Ze keek door het raampje naar automobilisten en fietsers in de ochtendzon. Werkbijen en darren, dacht majesteit terwijl ze een wolkje naar buiten blies. Een jonge vrouw met een kind voor zich in het zitje keek de koningin recht door het getinte glas aan. De meeste mensen wilden weleens een dagje koningin zijn. Wie zou geloven dat Beatrix haar man even wakker ging maken?

Vorig jaar was Claus er bij de Troonrede niet bij. Doodziek werd hij die middag in het AMC opgenomen. Uiteraard gebeurde dat op Prinsjesdag. De dag die hij het meest van alle dagen van het jaar verafschuwde omdat hij er in de Ridderzaal als een overbodige toeschouwer bij zat en zijn vrouw in zijn ogen veranderde in een robot die volautomatisch de tekst van de regering voorlas.

‘Ik ben helemaal geen robot’, zei ze dan, ‘ik heb de tekst zelf helpen schrijven.’

Hij keek haar smalend aan. ‘Is het land de afgelopen jaren echt schoner geworden?’

Dat was gemeen van hem.

In 1988 had ze namens het kabinet inderdaad een op zijn minst misleidende passage voorgedragen. De successen van het gevoerde milieubeleid werden daarin krachtig en bondig samengevat: ‘Het land is het afgelopen jaar schoner geworden. Dat geldt met name lucht en water.’ Een onwaarheid, bleek later, die leidde tot politieke commotie waarop ze niet zat te wachten.

‘Majesteit, mijn verontschuldiging voor deze inbreuk’, zei de rijzige topambtenaar, terwijl hij diep vooroverboog.

Beatrix zei niets. Haar gezicht stond strak.

‘Majesteit … De minister-president wil alsnog een … tekstverandering in de Troonrede.’

‘Een … een tekstverandering?’ zei ze verbijsterd.

De man kwam ongevraagd op haar territorium. Chip gromde. Aan de grenzen van de macht van zijn baasje mocht niet worden geknabbeld.

‘Wij zijn ervan doordrongen dat het hoogst ongebruikelijk…’

Beatrix beende heen en weer langs de enorme potsierlijke schilderijen die de heldendaden van voorvader Frederik Hendrik afbeeldden. Had ze het goed gehoord? ‘Bent u … zijn jullie helemaal gek geworden?’ riep ze vilein.

De secretaris-generaal begon met de papieren in zijn hand te scharrelen.

‘Laat u dat!’ zei ze onderkoeld.

De angsthaas schikte zijn papieren maar liet ze vallen. Ze wilde iets kwetsends zeggen, maar zweeg. Dat had ze met moeite geleerd: slikken, een stap naar achteren zetten, niet meteen je eigen mening geven. Beatrix snoof van woede en zette in gedachten tien stappen naar achteren. Toch ontsnapte uit haar mond: ‘De brutaliteit!’

Ze wees naar de papieren op de grond. ‘De Troonrede heb ik samen met de minister-president opgesteld. En zo zal ik hem uitspreken!’

‘Dat is helaas niet mogelijk, majesteit’, zei de man terwijl hij de papieren bij elkaar raapte. ‘De minister-president zelf…’

‘Dit is werkelijk nog nooit gebeurd. Op het laatste moment nog wijzigingen?’

‘Zo is het, majesteit’, zei hij.

‘Drie dagen hebben wij gewikt en gewogen en dan komt u aanzetten, met dit… schandalige gerommel!’

De secretaris-generaal wilde de koningin een opgeraapt velletje in de hand drukken. ‘Dit gerommel is het standpunt van het kabinet, majesteit. Er is vannacht nog overleg geweest.’

‘Ik ben geen ingehuurde toneelspeelster!’

‘De minister-president…’

‘Dan laat u hem zelf maar komen, die minister-president.’ In haar verbeelding stampte ze het brilletje van Balkenende in duizend stukjes.

‘Dat is gezien de procedures op een dag als vandaag onmogelijk’, zei de man, terwijl hij weer een keurig stapeltje papier in zijn handen hield.

‘Dat bedoel ik: dat we gezien die eeuwenoude en gerespecteerde procedures niet nog eens op het laatste moment de Troonrede herschrijven. Gaat u weg, alstublieft.’

Chip begon te piepen. De spanning was voor een gevoelige ziel ondraaglijk.

‘Misschien dat wij toch de betreffende passage kunnen…’

‘Welke passage?’

‘De Afrika-passage, dat is u genoegzaam bekend.’

Beatrix wees met trillende hand naar de deur. ‘De afgesproken tekst, dat zijn vandaag mijn woorden. En geen andere.’

Ze maakte een woedend wegwezen-gebaar. De man liet zich wegsturen maar draaide zich bij de deur om: ‘Mij kunt u wegsturen, maar de minister-president niet.’

Ze zaten nog steeds in de Gouden Koets. Máxima boog zich naar haar toe en streek met haar hand even langs haar gezicht.

‘Wat ben je nu van plan?’ vroeg Alexander.

‘Wat bedoel je?’ vroeg Beatrix.

Alexander: ‘De Troonrede. Zoals afgesproken, of met de verandering?’

‘Dat weet ik nog niet’, zei Beatrix.

‘Moeder, als u niet voorleest wat de minister-president wil, dan… dan bent u weg.’

‘Jij zou het telefoonboek nog opdreunen als de regering dat vroeg.’

Korte stilte. Willem-Alexander lachte mechanisch. Ze dacht aan opwindspeelgoed. ‘Ja, dat zou ik ook doen.’

Máxima keek hem onderkoeld aan. ‘Alex!’

‘Bemoei je er niet mee, Máxima’, snauwde Beatrix.

Máxima ging rustig door met zwaaien en ze keek haar schoonmoeder nu bedachtzaam aan. Beatrix probeerde haar nervositeit te verbergen. Alexander kuchte. ‘Ik wil hierbij gezegd hebben dat ik vind dat u de woorden van het kabinet moet uitspreken.’

‘Hoe haal je het in je bolle hoofd om mij…’

‘Ik wil niet dat u vandaag alles voor mij en Máxima kapotmaakt.’

Wat een burgermansopmerking, dacht Beatrix. Mijn zoon is een burgerman, niets koninklijks aan, geen visie, alleen maar spiegelen, zelf niemand zijn. Máxima zwaaide en lachte haar volk onverminderd toe.

‘Het telefoonboek, Alex?’ vroeg Máxima rustig.

‘Bij wijze van spreken, lieverd.’

‘Alles is hier in Nederland bij wijze van spreken’, zei ze onverwacht fel. ‘Zo laf, laf zijn jullie. Er is geen mens op de hele wereld die verboden kan worden om te zeggen wat hij wil. Je mag niemand, ook ons niet… Hoe heet dat?’

‘Muilkorven’, zei Beatrix.

‘Ja’, zei Máxima. ‘Ik zou dat ook beslist niet willen, Alexander.’ Ze timmerde met haar vuist op haar knie. ‘En zij ook niet’, ze wees op haar buik.

Beatrix voelde opeens een intense blijdschap. Een zij! Het matriarchaat zou worden voortgezet! Van de mannen moesten de Oranjes het de laatste honderd jaar niet hebben.

‘Wij moeten kunnen zeggen wat we willen’, zei Máxima.

‘Dat kun je alleen tegen mij, lieverd. En dan nog onder vier ogen. Helemaal nooit en nergens anders kun je zeggen wat je wilt’, zei Alexander.

‘Dat is belachelijk’, zei Máxima.

‘En zo is het’, beaamde Alexander.

‘Cagueta!’ riep Máxima.

Beatrix meende dat dit niets anders kon betekenen dan ‘lafbek’.

Ze keek naar haar zoon en schoondochter. En terwijl ze ‘vrolijk’ naar het volk langs de route knikte, zei ze: ‘Ja, dit beroep is ten diepste belachelijk. Elke beweging van mijn pink is een ondemocratische handeling. Maar zíj’ – ze gebaarde naar buiten – ‘willen toch dat wij er zijn?’

Máxima, stellig: ‘Er is nooit een reden om je tong in te slikken’, en terwijl ze zich tot Alexander wendde: ‘Als jij iets wilt zeggen en je denkt dat dat moet… Al zegt de minister honderd keer dat je dat niet mag, dan doe je het toch! Alleen geweld kan mensen de mond snoeren.’

Beatrix keek snel van de een naar de ander. Blijkbaar had haar schoondochter toch iets van haar verleden geleerd.

Máxima bleef rustig. ‘Ja. Dat wil niemand. Nooit meer. Nunca màs!’

Beatrix keek naar buiten. Schoolkinderen met vlaggetjes. Oude dames in een rolstoel. Oude mannen in uniform. Giechelende schoolmeiden. Oranje dassen, oranje wanten en opblaaskronen. Een jongeman met een oranje slipje over zijn hoofd. Een poepend paard. Tetterend koper. Ze zei tegen zichzelf: niet oordelen, alleen kijken.

Ze stelde zich glimlachend voor dat in de Ridderzaal de minister-president het zweet van zijn voorhoofd veegde en moest vechten om niet van angst in zijn broek te plassen.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Bij de voorpublicatie van de roman Majesteit van Oscar van den Boogaard, gisteren op pagina 24 en 25, stond wel dat het boek gebaseerd is op het script van de gelijknamige film, maar niet dat dit script van de hand van Ger Beukenkamp is.