Weesfietsen

De fiets is in Amsterdam op z’n mooist als de sneeuw een gaaf poederlaagje heeft gelegd op een aantal fietszadels die wegdromen tegen een brugleuning. Dan kan de Breitner in ons zijn werk doen.

Zo kende ik de fiets vooral toen ik in Amsterdam kwam wonen. Sindsdien is er veel veranderd. De fiets is de fiets niet meer. De fiets is vaak een roestend karkas geworden, onbeheerd of nauwelijks gebruikt achtergelaten in de kostbare openbare ruimte. ‘Weesfietsen’ hoorde ik ze noemen door een deskundige op tv in Uitgesproken VARA. Daarin werd al van een ‘fietsinfarct’ gesproken: Nederland heeft 18 miljoen fietsen en de centrale spoorwegstations komen 100.000 plekken te kort om die te stallen; over 10 jaar zullen dat 200.000 plekken zijn.

Het pregnantste beeld van deze ontwikkeling valt in Amsterdam te zien op de brug die naar het Ibis Hotel bij het centraal station voert. Wie op het hoogste punt van de brug naar rechts en links kijkt, ziet een oceaan van fietsen. In totaal staan er rond dit station ongeveer 25.000 fietsen geparkeerd, de meeste onbetaald.

Op de afstotend lelijke fietsflat pal tegenover het Ibis Hotel staan alleen al 4.700 fietsen, verdeeld over drie etages.

Die flat is op bijna elk uur van de dag tot de nok toe gevuld. Op een groot bord bij de ingang staat dat elke fiets van een waarschuwende sticker zal worden voorzien, zodat de fiets na 28 dagen verwijderd kan worden.

In de praktijk komt daar weinig van terecht. De stickers worden al nauwelijks meer aangebracht. „Het heeft geen zin”, zei een bewaker me. „Die fietsen moeten dan naar het Fietsdepot in het Westelijk Havengebied worden gebracht, waar de eigenaren ze kunnen ophalen. Maar veel eigenaren doen dat niet, die kopen liever voor een tientje een gejatte fiets. Bij dat Fietsdepot is daarom ook al een gigantisch stuwmeer ontstaan.”

Hij zag maar één oplossing. „Scannen. Elke fiets bij binnenkomst op de stalling registreren. En onmiddellijk vernietigen als hij na twee weken niet is opgehaald.”

Ik geef het maar even door, al klinkt het naar massamoord op de fiets. Er moet iets gebeuren, dat is duidelijk. De overheid heeft, zoals dat heet, „te lang weggekeken”. Op de bruggen staan de fietsen al twee rijen dik, ze versperren trottoirs en verpesten ieder plekje dat mooi zou willen wezen. De fiets is de auto van vroeger geworden. Een opdringerig vervoermiddel dat te veel ruimte opeist en op de fietspaden ook nog met razende snelheden ándere fietsen begint lastig te vallen.

Maar wie de fietswereld wil verbeteren, zal in zijn eigen berghok moeten beginnen, merkte ik. Drie fietsen staan in het mijne en elke keer dat ik een broodje uit de diepvries wil halen, moet ik eerst, vloekend en tierend, één fiets integraal verwijderen. Wél de overheid overal de schuld van geven, maar zelf in het eigen berghok geen orde op zaken durven stellen.

Ik voorspel nu al dat we na het fietsprobleem een ander probleem krijgen: het scooterprobleem. Ze vermenigvuldigen zich als konijnen, die scooters. We krijgen Napolitaanse toestanden in Nederlandse steden.

Overal duikt de scooter op, snerpend, watervlug, agressief. De eigenaren parkeren ’m het liefst midden op de stoep – dan mag jij via de weg omlopen. De scooter wordt de fiets van nu.