Terug naar de Armeense geboortegrond

Honderden Armeniërs zijn gisteren naar Oost-Turkije gegaan om voor het eerst in 95 jaar te bidden in de kerk van Surp Khach. Het is een propagandastunt van de regering, zeggen cynici.

. Ze zijn met minder gekomen dan de Turkse regering hoopte. Maar ze zijn gekomen. Armeniërs uit Hamburg. Uit Berlijn. Uit Istanbul. Uit Jerevan. Uit Boston. Doktoren, advocaten, juweliers, makelaars. Honderden, geen duizenden. Nazaten zijn ze, allemaal, van grootouders en overgrootouders die hier in het oosten van Anatolië in 1915 massaal werden verdreven of vermoord in de nadagen van het Ottomaanse Rijk. Stuk voor stuk zijn ze hier voor het eerst, sommigen met aarzeling en twijfels. Allemaal vol herinneringen en verhalen.

Rond negen uur ’s ochtends laten ze zich inschepen, in oude veerboten op het meer van Van, een meer zo blauw als turkoois. Een kleine armada van Armeniërs, die voor het eerst in 95 jaar van de Turkse autoriteiten toestemming hebben gekregen om gisteren te bidden in de kerk van Surp Khach (het Heilige Kruis) op het eiland Akdamar. Ze zingen.

„Ver weg ligt een dorp.

Dat dorp is ons dorp.

Zelfs als we er niet heen kunnen is het nog steeds ons dorp.”

De dag van de terugkeer naar de geboortegrond is zo bitter als hij zoet is. Zo zegt Paul Shaninian dat, een Amerikaan uit New Jersey van Armeense komaf. „Ik laat me leiden door sentiment. Jarenlang droomde ik om op deze plek te komen, de plek waar mijn grootouders zijn verjaagd. Dit is mijn thuis.”

Hij heeft lang getwijfeld over de vraag of hij wel moest gaan. Velen in de Armeense diaspora noemen de gebedsbijeenkomst een propagandastunt van de Turkse regering. Premier Erdogan zou de Europese Unie willen laten geloven dat hij zorg draagt voor zijn christelijke minderheden.

Een toetredingstrucje. Het is de tweede keer in iets meer dan een maand tijd dat een christelijke kerk zijn deuren weer na lange tijd mag openen. Op 15 augustus hield het Oecumenische Patriarchaat van Istanbul zijn eerste gebedsbijeenkomst in het Soumela-klooster in het hoge noordoosten van Turkije. Voor het eerst sinds 1923.

Turkije gaat volgend jaar naar de stembus. Dat kan geen toeval zijn, zeggen de cynici. Na het mislukken van de oplossing van Koerdische kwestie – er vallen weer wekelijks doden in de strijd met de separatische PKK – zijn nu de Turkse christenen aan de beurt.

„Veel vrienden en bekenden hebben me afgeraden om te gaan”, zegt Paul Shaninian. „Is het show”, vraagt zijn vrouw Seta. „Ja ik denk het wel. Maar de Turken reiken ons wel hun hand. Dat mag je niet negeren.”

De decennialange verwaarlozing van de kerk heeft haar tol geëist. De fresco’s boven het altaar zijn weggekrast, of verweerd. De meeste van de naar schatting 2.000 Armeense kerken die het Anatolische achterland van het Ottomaanse Rijk ooit kende, verging het slechter. De kerken werden moskeeën, werden ingericht als veestal, of werden met de grond gelijk gemaakt.

Vijfenveertig kerken staan nog overeind. In 2007 besloot de Turkse regering van de kerk op Akdamar een museum te maken. Het is nadrukkelijk geen gebedshuis. De Turkse seculiere grondwet verbiedt religieuze uitingen in alle publieke gebouwen. Meer dan een miljoen euro werd er in de renovatie gestoken. De bouwvakkers gebruiken een van de zijkamers als toilet. Dat kan iedereen ruiken.

Maar de meeste discussie gaat over het kruis van de meer dan duizend jaar oude kerk. Maanden geleden beloofden de Turkse autoriteiten het kruis nog voor de mis weer bovenop de kerktoren te plaatsen. De regering brak die belofte. „Dit is een technische uitdaging”, licht de gouverneur van Van, Munir Karaloglu, desgevraagd toe. „De kerktoren is niet breed, dat kunt u zien. We hebben besloten om het kruis terug te plaatsen. Het is alleen nog een kwestie van tijd.”

Maar die tijd is lang geleden al verstreken, vinden veel Armeniërs in het thuisland en in de diaspora. De Armeense president Sarkisian zei geen zin te hebben in „deze imitatieshow”. De leiders van de Armeense gemeenschappen in Beiroet en Jeruzalem zeiden om dezelfde reden af.

Ze werden al eerder teleurgesteld. Vorig jaar oktober tekende de Turkse regering een overeenkomst die zou moeten leiden tot toenadering met Armenië en opening van de gesloten grens tussen de twee landen. Dat was hoopvol, maar het verdrag werd nooit geratificeerd.

De priester van de Armeense kerk op het eiland, Tatoul Aoushian, vindt het een slecht excuus van zijn geloofsgenoten. „Het kruis zit in het hart”, zegt hij en zijn ogen twinkelen. „De mensen die niet willen komen omdat ze het kruis niet op de toren kunnen zien, bidden die alleen voor een kruis? Of willen ze bidden op het land waar hun voorouders leefden?”

Zij die zijn gekomen bidden. Lang niet allemaal in de kerk, het past niet.

De priester moet halverwege ingrijpen om de opdringerige Turkse pers uit zijn gebedshuis te jagen. De Amerikaanse Armeniër Paul Shahinian heeft over de schouders van anderen alleen een glimp kunnen opvangen van de ceremonie. Maar het is goed zo. „Ik wil hoopvol blijven over de toekomst. En ik zal het geloven als ik het zie.”

Volgend jaar mogen ze weer terugkomen. Een mis per jaar, meer zit er nu niet in. Turkije verandert, in kleine stappen.