Nu eens geen schreeuw

De Noorse schilder Edvard Munch was neurotisch en drankzuchtig. Maar ook een magnifiek kunstenaar.

De Kunsthal toont nu zijn minder bekende werken.

Een eeuw geleden stierven de moeder en het zusje van de Noorse kunstenaar Edvard Munch aan tuberculose. Het ziekbed van zijn zusje zou een thema worden dat Munch, in een poging zijn verdriet te uiten, jarenlang zou verbeelden in tal van variaties en technieken.

In de Kunsthal in Rotterdam hangt nu een litho uit die serie, gemaakt in 1896, negentien jaar na haar dood. Je ziet het magere gezichtje van het zusje van heel dichtbij. Haar starende blik boort zich in in iets dat wij niet zien. Dat ‘iets’ verbeeldde Munch in krassende lijnen, een chaos van wanhoop, nog voordat het expressionisme bestond.

Deze experimentele kant van Munch (1863-1944) staat centraal in zijn eerste Nederlandse overzichtstentoonstelling. Er hangen grafische versies van zijn bekende schilderijen: Het zieke kind, een Vampier en drie Madonna’s. Maar de echt bekende werken ontbreken. Dat komt omdat de ruim honderdvijftig kunstwerken, vooral landschappen en portretten, van privéverzamelaars zijn die hun werk vrijwel nooit uitlenen.

De relatie tussen Munch en zijn verzamelaars is altijd bijzonder geweest. Zijn tentoonstellingen waren vaak schandalen. Zo werd Het zieke kind uitgelachen en werd De schreeuw beklad. Toch wisten de schaarse Noorse collectioneurs hem te waarderen. Ze gaven hem opdrachten voor portretten – ook al stopte hij daar altijd iets gemeens in. Hij dikte iemands air aan, maakte handen te lomp en vrouwen portretteerde hij van bovenaf, zodat je altijd op hen neerkijkt. Dat zijn mecenassen dit niet opmerkten, maakte zijn binnenpretjes nog groter.

Dankzij die rijke kunstliefhebbers boerde Munch goed. Zeker toen Noorwegen in 1905 onafhankelijk werd van Zweden, en de behoefte aan een nationale held groeide. Dat werd Munch. In diezelfde jaren verkocht hij ook in Duitsland veel schilderijen, die de de nazi’s later zouden confisqueren en aan het buitenland verkopen.

Wie nu de eigenaars zijn? Zelfs de Kunsthal kent de bruikleengevers niet en onderhandelde via agenten.

Eigenaardige verzamelaars; dat past mooi bij deze kunstenaar. Want de maker van De schreeuw staat toch vooral bekend om zijn eigenaardigheden: neurotisch, depressief, drankzuchtig, bang voor de dood en voor vrouwen. Hij had (uiteraard) een moeilijke jeugd, werd opgevoed door een extreem vrome vader die het kunstenaarschap een goddeloos beroep vond. En als je Munchs Madonna’s ziet, wellustig achteroverliggend voor een allesbehalve onbevlekte ontvangenis, geef die vader dan maar eens ongelijk. Munchs schilderproductie was manisch: hij liet de stad Oslo twintigduizend werken na.

En toch. Hij was ook een briljant schilder. Niet voor niets was deze tentoonstelling eerder in Parijs te zien, onder de titel l’Anti-Cri. Oftewel: nu eens geen Schreeuw. Dat is een goede keus.

De vroege landschapjes uit de jaren tachtig zijn nog wat tam – niet slecht, alleen iets te keurig. Maar al gauw ontwikkelt Munch zijn eigen stijl: een prachtige en wellustige lijn, waarmee hij figuren en landschappen zou laten overvloeien, macabere schoonheden zou verbeelden, en dat in de meest sensuele kleuren.

Niet alleen die expressieve stijl maakte hem tot een vernieuwer. Hij experimenteerde graag met het toeval. Zo liet hij de drukker de inkt bepalen – het zieke kind werd oranjeroze. Munch schilderde naar foto’s die hij expres liet mislukken. Hij nam fotografische afsnijdingen over (wat Degas ook deed) en schilderde dubbel belichte vlakken.

Maar het extreemst was zijn zogenoemde ‘paardenkuur’: hij zette schilderijen buiten zodat de tijd erover heen kon gaan en het leven erin kon kruipen. Sommige doeken in de Kunsthal zijn bobbelig van de regen; de verf is gaan druipen of is verschoten. Op één portret kleeft zelfs een bruin kloddertje. Niemand heeft onderzocht wat het is, maar het staat bekend als het ‘het schilderij met het vogelpoepje’.

Toch schept ook deze tentoonstelling een mythe die maar de halve waarheid is. Door Munch neer te zetten als artistiek vernieuwer (voorloper van het expressionisme, art brut, abstract expressionisme) lijkt hij bijna een abstract schilder. Maar het ging hem niet om verf. Net als de meeste modernisten had hij een boodschap voor de wereld.

Deels rept de catalogus hierover. Munch leende de opvattingen van de filosoof Bergson over hoe tijd in materie doorleeft. Zijn scènes van baders zijn geïnspireerd door Nietzsches opvattingen over het vitalisme van de mens.

Maar er is meer. Rond 1886 sloot Munch zich aan bij een controversiële groep Noorse anarchisten. Voor hem betekende het anarchisme dat hij geen kapitalistische onderwerpen verbeeldde, maar het echte leven: met al het lijden, zo close-up mogelijk. In die tijd besloot hij in te zoomen op zijn overleden zusje. Alleen al die ene kleine litho kun je dus interpreteren als melancholisch, artistiek vernieuwend en politiek-filosofisch.

Tegen zo’n veelzijdig kunstenaar is geen tentoonstelling tegenop gewassen.

Tentoonstelling

Edvard Munch

T/m 20 februari 2011 in de Kunsthal, Rotterdam. www.kunsthal.nl ****